|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Close
encounters
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Bionieuws, 14 februari 2003.)
De zon is
zojuist achter de bergrug verdwenen. Flarden mist beginnen tussen
de boomkruinen omlaag te zakken en een paar neushoornvogels steekt
met zware vleugelslagen de rivier over. Ik schrijf dit stukje
in Danum Valley Field Centre, een onderzoeksstation in primair
regenbos in hartje Borneo. We zijn hier bezig met een project
aan een merkwaardig schelppolymorfisme bij een bepaalde soort
landslak, en de laatste dagen hebben we dan ook weinig anders
gedaan dan in afgebakende kwadranten op handen en voeten tussen
de bomen door kruipen, op zoek naar lege slakkenhuisjes.
Afgelopen
middag lag ik op mijn buik bij een vermolmde boomstam wat bij
te komen van het eindeloze turen, toen er vanachter een pol mos
een naaktslak kwam aanglibberen. Althans, dat leek het. Maar toen
ik het beest wilde oppakken viel het uiteen in honderden vliegenlarfjes,
die in paniek doorelkaar krioelden, daarna hun kalmte hervonden,
hergroepeerden en hun weg als quasi-slak vervolgden. Over elkaar
heen buitelend gleed de kluwen voorbij, om uiteindelijk een holte
in te ritselen en te verdwijnen, ondergetekende in opperste verbijstering
achterlatend.
En zo is
het elke dag wat. Vandaag een peloton maden dat zich als superorganisme
gedraagt, gisteren de nachtelijke dans van twee zweepstaartschorpioenen
waarvan de ene de voorpoten van de ander in zijn bek geklemd hield,
de dag daarvoor een paddestoel bewoond door een kakkerlak en drie
soorten kevers, allevier met exact hetzelfde kleurpatroon.
Het valt
in de tropen niet mee om je als schoenmaker bij je leest te houden.
Voortdurend dienen zich mysteries aan die erom schreeuwen om opgelost
te worden. En voor je het weet word je wat Dan Janzen tropical
derelict noemt: een conceptueel dakloos ecoloog die maar van het
ene half afgemaakte onderzoeksproject naar het andere holt. Een
Engelse promovendus die hier zijn veldwerk doet vertoont al de
eerste symptomen: hij heeft in de drie dagen die ik hier ben al
zeker vijf ideeën voor "zijlijntjes" gelanceerd
die hem beslist van zijn eigenlijke werk gaan afhouden.
Toch denk
ik dat wat meer tropisch plichtverzuim geen slecht idee is. Netjes
begrensde onderzoeksprojecten met stevige theoretische hoekpunten
zijn nuttig en belangrijk en helpen de wetenschap vooruit. Maar
vanaf de veranda van het veldstation zie ik dat de Segama, waar
drie jaar geleden nog helder water door stroomde, nu de modderkleur
van teh susu heeft gekregen vanwege een dikke tweehonderdduizend
hectare bos die stroomopwaarts wordt gekapt. De natuurlijke historie
die zich in dat bos afspeelde is definitief afgelopen. Zelden
of nooit heeft daar iemand op zijn buik in het bos gelegen en
de wonderlijke gedragingen van vliegenlarven en kakkerlakken opgetekend.
Daar gaat nu voor eens en altijd de bulldozer overheen, een naamloos
massagraf achterlatend.
Dat lot zal
Danum Valley voorlopig bespaard blijven. Niettemin denk ik dat
ik morgen de slakkenhuisjes eens laat voor wat ze zijn en gewapend
met loupe, camera en opschrijfboekje plaats neem op een boomstam
middenin het bos. Een dagje wetenschappelijk anarchisme, voor
hen die vielen.
|