|
© Copyright
Menno Schilthuizen
De ring
gebroken
De ringsoort
van het zilvermeeuw-complex. Hele generaties biologen zijn ermee
opgegroeid, maar na DNA-analyse blijkt dit schoolvoorbeeld van
de evolutiebiologie niet te kloppen. "Er blijft helemaal
niks van over."
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in NRC Handelsblad, 20 november 2004.)
Flarden regen zwiepen langs de ramen van de bovenste verdieping
van het Leidse Sylvius laboratorium. Dat het eigenlijk hoogzomer
zou moeten zijn is alleen te zien aan de in broedkleed gedoste
zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuwen die buitelend op de windvlagen
voorbijsurfen. Aan de andere kant van het raam tovert geneticus
Peter de Knijff een ingewikkeld diagram van talloze gekleurde
bolletjes op zijn computerscherm. En het is dit "haplotypen-netwerk"
waardoor de Knijff nu heel anders denkt over de meeuwen buiten
dan een paar jaar geleden.
In West-Europa
zijn de geelpotige, donkervleugelige kleine mantelmeeuw (Larus
fuscus) en de rozepotige, lichtvleugelige zilvermeeuw (L.
argentatus) twee duidelijk aparte soorten. Behalve in uiterlijk
verschillen ze in gedrag en oecologie. Zilvermeeuwen trekken niet,
eten aanspoelsel en ander afval en zeggen, volgens de Duitse ornitholoog
Friedrich Goethe, "agchagcha" tijdens de paring. Kleine
mantelmeeuwen daarentegen zijn trekvogels, vangen vis, broeden
twee tot drie weken later en copuleren onder het uitstoten van
kreten als "go(a)go(a)," "gäägäägää"
of "gräägräägrää". In
gemengde kolonies, zo schreef Goethe, wordt de kleine mantelmeeuw
dan ook "niet serieus genomen" door de zilvermeeuw.
Maar, zo
ontdekten onderzoekers 70 jaar geleden, ga je van het broedgebied
van de kleine mantelmeeuw verder naar het oosten, dan kom je een
hele reeks ondersoorten tegen, die gaandeweg steeds minder op
de kleine mantelmeeuw lijken en steeds meer op de zilvermeeuw.
Eerst de Heuglins meeuw (L. heuglini) van West-Siberië,
die via de overgangsvorm L. taimyrensis naadloos aansluit
op de oostsiberische meeuw L. vegae. Die laatste lijkt
weer sterk op zijn buurman aan de andere kant van de Beringstraat,
de Amerikaanse zilvermeeuw (L. smithsonianus) en dan is
het nog maar een kleine stap naar de Europese zilvermeeuw aan
de overkant van de grote haringvijver.
ESCHERIAANS
De zilver- en kleine mantelmeeuw vormen dus de overlappende uiteinden
van een "ringsoort" die rond de noordpool gedrapeerd
is. In Europa zijn het twee aparte soorten, maar via de achterkant
van aardbol zitten ze aan elkaar vast. En daarmee is deze Escheriaanse
situatie een van de meest bekende voorbeelden van taxonomische
zinsbegoocheling.
De beroemde
evolutiebioloog Ernst Mayr van Harvard University (vorige maand
100 geworden) bracht de ringsoort in 1940 voor het eerst onder
de aandacht. Hij ging er van uit dat iedere vorm van het meeuwencomplex
(en meeuwenzifters onderscheiden maar liefst 20 verschillende
vormen) ontstaan is door successievelijke kolonisaties in oostelijke
richting. Door aanpassing aan de nieuwe omgeving en doordat een
groepje kolonisten niet altijd een exacte afspiegeling was van
de oorspronkelijke populatie, was iedere nieuwe kolonie genetisch
een beetje anders. Daardoor bestaan er tussen ieder paar buurpopulaties
minuscule verschilletjes in de kleur van poten, vleugels en ogen
en ook in levenswijze, uiteindelijk culminerend in de verschillen
op soortsniveau tussen de zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw.
Mayr is altijd
vurig pleitbezorger gebleven van de meeuwenring, die voor hem
hét bewijs was voor zijn theorie van "allopatrische
soortvorming". Deze zegt dat kleine verschilletjes tussen
geografisch geïsoleerde populaties uiteindelijk kunnen leiden
tot aparte soorten. Normaal bouwen die verschilletjes zich op
van generatie op generatie, waarbij over lange tijd de soorten
uiteendrijven en we alleen het eindproduct nog kunnen zien. Maar
bij de ringsoort, zo legde Mayr in veel van zijn boeken en artikelen
uit, zijn een aantal tussenstappen uit dit proces bewaard gebleven
als afzonderlijke schakels in de ring. Nog in 1970 schreef hij
dat "een mooier bewijs voor geografische soortsvorming bijna
niet denkbaar is."
Geen wonder
dus dat leerboeken, zoals het op veel universiteiten gebruikte
standaardwerk Evolution van de Oxford-evolutiebioloog Mark Ridley
er altijd braaf een paar bladzijden aan wijden. Maar dat, zo zegt
de Knijff, is ten onrechte. Samen met ornithologen Dorit Liebers
en Andreas Helbig van de Universiteit van Greifswald in Duitsland
(grappig genoeg dezelfde universiteit waar Ernst Mayr zich in
1923 als medicijnenstudent inschreef) publiceerde hij eerder dit
jaar een genetische analyse van de complete ring in de Proceedings
of the Royal Society of London Series B. Wat hun werk van de ringsoort
overlaat? "Helemaal niks," zegt de Knijff gedecideerd.
DUIGEN
De onderzoekers bepaalden de sequentie van een bepaald stuk mitochondriaal
DNA bij 410 meeuwen uit alle verschillende onderzoorten. Er bleken
160 verschillende DNA-sequenties te onderscheiden, zogenoemde
haplotypen. Aan de hand van de verschillen stelde de Knijff het
netwerk op dat precies laat zien hoe de diverse haplotypen (en
dus ook de ondersoorten) aan elkaar verwant zijn. De verwachting
was dat de verwantschappen de ring precies zouden volgen en dat
de Europese zilvermeeuw zou afstammen van de Amerikaanse zilvermeeuw.
Het pakte
anders uit. Het zilvermeeuw-complex blijkt meer weg te hebben
van twee stervormige uitwaaieringen. Meest in het oog springend
daarbij is dat de Amerikaanse zilvermeeuw weliswaar afstamt van
de oostsiberische meeuw, maar helemaal niet verwant is aan de
Europese zilvermeeuw. In plaats daarvan blijkt die laatste onafhankelijk
te zijn ontstaan uit dezelfde Europese oermeeuw die ook de voorouder
was van de kleine zilvermeeuw. De cruciale kolonisatie van Europa
vanuit Amerika heeft dus nooit plaatsgevonden en daarmee valt
de hele ring in duigen.
Inmiddels
hebben de onderzoekers hun dataset uitgebreid tot zo'n 1000 exemplaren
en bovendien bij ongeveer 100 dieren een stuk DNA uit de celkern
bekeken. Deze resultaten zijn nog niet gepubliceerd maar lijken
het beeld te bevestigen. "Het was erg leuk om een schoolvoorbeeld
omver te werpen," zegt de Knijff, die gedurende de hele studie
veel steun kreeg van Ernst Mayr. De éminence grise blijkt
trouwens niet erg teleurgesteld met de uitkomst. "Hij vond
het heel leuk dat het biologen uit Greifswald waren die dit werk
hebben gedaan," legt de Knijff uit.
Het valt
te bezien of het ringsoort-concept zal overleven. Evolutiebioloog
Darren Irwin, assistent-hoogleraar aan de Universiteit van British
Columbia in Vancouver, Canada, zegt dat er behalve de meeuwen
nog een paar andere minder beroemde voorbeelden recentelijk ook
aan het wankelen zijn gebracht. Laura Kvist van de Universiteit
van Oulu in Finland en haar collegae publiceerden eind 2002 een
genetische studie van de koolmees, die een ring van ondersoorten
vormt rond de hoogvlaktes en woestijnen van Centraal-Azië.
"Duidelijk geen ringsoort," zegt Irwin, want de verwantschappen
blijken anders dan het ringconcept voorschrijft en ook zitten
er hier en daar gaten in de ring. En iets dergelijks lijkt ook
aan de hand te zijn met de Ensatina-salamanders die de centrale
vallei van Californië omcirkelen, voegt de Knijff toe.
Eén
van de weinige ringsoorten die nog overeind staan is die van de
grauwe fitis, drie jaar geleden door Irwin ontdekt en beschreven
in Nature. Dit zangvogeltje vormt een lus rond de Tibetaanse hoogvlakte
waarin grootte, tekening en zang geleidelijk veranderen. De twee
uiteinden leven in Oost-China als twee soorten naast elkaar, en
de ontstaansgeschiedenis is met DNA nauwkeurig in kaart gebracht.
Ook de Knijff geeft toe dat de grauwe fitis een echte ringsoort
is. "Dat werk is heel mooi gedaan," zegt hij. De ringsoort
hoeft voorlopig dus nog niet uit de leerboeken te verdwijnen.
Maar de meeuwenring moet wel in de ban.
|