|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Bekvechten
over de vink
Darwin is
de profeet van de evolutietheorie. Toch twijfelen de meeste biologen
al meer dan een halve eeuw aan zijn ideeën over soortvorming.
Daar begint nu eindelijk verandering in te komen.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 28 juni 2001.)
'Zijn gedachten
over het ontstaan van soorten zijn altijd warrig geweest.' Met
die uitspraak verwoordde de Amerikaanse bioloog Edward O. Wilson
tien jaar geleden de mening van twee generaties evolutiebiologen.
En over wie heeft hij het? Over niemand minder dan Charles Darwin.
Deze grondlegger van de evolutietheorie, algemeen beschouwd als
een van de helderste denkers uit de geschiedenis van de wetenschap,
zou een warhoofd zijn geweest op het punt van het ontstaan der
soorten (nota bene de titel van zijn beroemdste boek)? Het lijkt
te bizar om waar te zijn.
Toch dachten
tot voor kort veel biologen er zo over. In On the Origin of Species
legt Darwin uit dat natuurlijke selectie ervoor zorgt dat een
dier- of plantensoort na verloop van tijd van uiterlijk verandert:
wanneer individuen met een bepaalde erfelijke eigenschap meer
nakomelingen krijgen dan individuen die die eigenschap missen,
dan zal vroeg of laat de hele populatie die eigenschap dragen.
In de strijd om het bestaan overleven de best aangepasten.
Akkoord.
Maar voor het ontstaan van nieuwe soorten gaat het niet om verandering
van één soort maar om splitsing in tweeën.
En het was het splitsen van soorten, 'soortvorming', waar Darwin
weinig vat op zou hebben gehad. Toch wijdt hij er in The Origin
een hoofdstukje aan. Hij noemt het Divergence of Character en
volgens hem gaat het als volgt.
Stel dat
een populatie vinken moet leven van een schaarse voedselbron:
zaden die op de grond liggen, bijvoorbeeld. De erfelijke variatie
in de grootte van de snavel zal ervoor zorgen dat er een paar
vinken zijn met heel kleine snavels, een paar met heel grote snavels,
en een heleboel met snavelgroottes ertussenin. Omdat de snavelgrootte
bepaalt welk formaat zaden de dieren aankunnen, zal de competitie
vooral gaan tussen de vinken met de gemiddelde snavels, en veel
minder tussen kleinsnavelige vinken enerzijds en grootsnavelige
vinken anderzijds. In tijden van schaarste zullen de vogels met
extreme snavels dus in het voordeel zijn. Onder bepaalde omstandigheden
kan het voorkomen dat de vinken met de gemiddelde snavels verdwijnen
en alleen de extremen overblijven. Volgens Darwin was dit de kern
van soortvorming.
Maar het
was het midden van de negentiende eeuw, Divergence of Character
beslaat slechts twee secties in een van de vijftien hoofdstukken
van het boek, en bovendien was het concept van evolutie überhaupt
nog zó nieuw en controversieel, dat niemand wakker lag
van details. Geen wonder dat er meer dan zeventig jaar verstreken
voor een wetenschapper zich serieus ging bemoeien met het hoe
en waarom van het splitsen der soorten.
Bankier
met bolknak
Die wetenschapper was de Duitser Ernst Mayr, die alom wordt gezien
als de invloedrijkste evolutiebioloog van de twintigste eeuw.
Als jonge doctor in de ornithologie bezocht Mayr in 1927 het Internationaal
Dierkundig Congres in Boedapest. Daar ontmoette hij Lord Rothschild,
patriarch van de beroemde bankiersfamilie. Rothschild, die behalve
succesvol financier vooral ook hartstochtelijk ornitholoog was,
bezat een privé-museum in het Engelse Tring. Om zijn museum
van materiaal te voorzien, had Rothschild honderden verzamelaars
in dienst, die van overal ter wereld geprepareerde vogels naar
Tring stuurden. En toen hij kennismaakte met de jonge en enthousiaste
Mayr, haalde de 300-ponder zijn bolknak uit de mond, prikte zijn
vinger in de borst van de jonge Duitser en zei: 'Jij wordt mijn
nieuwe verzamelaar in Nieuw-Guinea.' Mayr had het niet beter kunnen
treffen.
In de drie
jaar die hij op Nieuw-Guinea en de omliggende eilanden zwierf,
ving hij in totaal 3.400 vogels, die hij opmat, prepareerde, tekende,
beschreef en op transport naar Tring zette. En passant deed hij
een hoop interessante ontdekkingen. Zo stelde hij vast dat veel
vogelsoorten alleen maar voorkwamen op geïsoleerde eilandjes
en niet op het vasteland.
Wat had dat
te betekenen? Waarom verandert een soort zodra zij zich verschanst
op een onbewoond eiland? Hoe ontstaan nieuwe soorten eigenlijk?
Die vragen hielden Mayr bezig tijdens de vier jaren die hij reizend
en verzamelend doorbracht (eerst in dienst van Rothschild, later
als leider van een Amerikaanse expeditie naar de Stille Zuidzee).
En hoe langer hij erover nadacht, hoe duidelijker het hem werd
dat Darwins model van Divergence of Character niet deugde.
Tijdens zijn
reizen meende hij waargenomen te hebben dat nieuwe soorten zelden
midden in een bestaande populatie evolueren, wat op basis van
Darwins theorie wel verwacht mocht worden. 'Mijn theorieën
zijn gebaseerd op observaties', zegt Mayr. 'Op het empirische
feit dat we de meest afwijkende populaties altijd in isolatie
vinden.' Op een afgelegen eiland bijvoorbeeld of in een grot of
op een bergtop.
In zijn twee
hoofdwerken, het in 1942 verschenen Systematics and the Origin
of Species, en het uit 1963 daterende Animal Species and Evolution,
geeft Mayr lange lijsten van voorbeelden die allemaal bewijzen
dat nieuwe soorten pas ontstaan als een populatie gedurende lange
tijd afgescheiden blijft van de moedersoort. Kleine verschillen
in omgeving en de opeenstapeling van toevallige genetische foutjes
maken dat de twee populaties steeds verder uit elkaar groeien,
tot hun DNA op zoveel punten verschilt dat ze niet langer willen
en/of kunnen kruisen. Pas daarna kunnen de moeder- en dochtersoort
elkaars verspreidingsgebied binnendringen en zij aan zij voorkomen.
Mayr noemt zijn theorie 'allopatrische soortvorming' (van het
Griekse allos, 'ander' en patra 'vaderland').
Darwins sympatrische
('zelfde vaderland') soortvormingsmodel, waarbij de nieuwe soort
midden tussen de oude ontstaat, kan nooit werken, legt Mayr uit,
vanwege de voortdurende genetische vermenging. Iedere tweespalt
(kleinsnavelige en grootsnavelige vinken, bijvoorbeeld) die in
de ene generatie door natuurlijke selectie wordt bewerkstelligd,
wordt de daaropvolgende generatie weer tenietgedaan doordat de
twee typen met elkaar zullen kruisen en gemiddeldsnavelige kuikentjes
zullen krijgen.
Er leek geen
speld tussen te krijgen en gedurende vrijwel de gehele tweede
helft van de twintigste eeuw waren biologen ervan overtuigd dat
Mayrs allopatrische model alleenzaligmakend was. Een van de eerste
bekeerlingen was geneticus Theodosius Dobzhansky, die al in in
1937 schreef: 'Soortvorming zonder geografische isolatie is onmogelijk.'
Mayr zelf juicht in 1963: 'Vrijwel niemand twijfelt nog aan het
wijdverbreide voorkomen van allopatrische soortvorming.' En nog
in 1997 schreef geneticus Jeffrey Powell dat allopatrische soortvorming
vrijwel zeker de regel is.
Toch waren
de bewijzen tegen de alleenheerschappij van allopatrische soortvorming
zich al jaren aan het opstapelen. De appelvlieg bijvoorbeeld verscheen
in NoordAmerika in 1862, anderhalve eeuw nadat daar de appelboom
uit Europa was geïntroduceerd. Toch was de vlieg niet uit
Europa afkomstig, want zijn nauwste verwant is de meidoornvlieg,
die alleen in Amerika voorkomt. De appelvlieg is vooral de laatste
twintig jaar het onderwerp van intensief onderzoek, dat heeft
aangetoond dat hij van de meidoornvlieg verschilt in de lengte
van de legboor, de kleur van het achterlijf, de levenscyclus,
en minstens zes verschillende eiwitten. Al deze verschillen moeten
sympatrisch zijn geëvolueerd in de hooguit drie eeuwen nadat
sommige meidoornvliegen waren begonnen met eieren leggen op appels.
Een ander
bekend voorbeeld komt uit Afrika. De Duitse onderzoeker Ulrich
Schliewen inventariseerde in 1989 de vissen van Bermin, een kratermeertje
in Kameroen ter grootte van een flinke parkvijver. Hij ontdekte
dat het meertje negen soorten nauw verwante vissen herbergt die
nergens anders ter wereld voorkomen. Aan de hand van hun DNA kon
Schliewen in Nature rapporteren dat de vissen in een paar duizend
jaar ter plekke van één voorouder waren afgesplitst.
En omdat Bermin niet meer is dan een kleiige, kegelvormige put,
zonder plaatsen waar vissen geïsoleerd kunnen raken, kon
dit wederom maar één ding betekenen: sympatrische
soortvorming.
En behalve
bij appelvliegen en kratermeervissen is het proces inmiddels vastgesteld
bij een bonte verzameling organismen, van stippelmotten en spintmijten
tot vinken en gaasvliegen.
Grootsnavelige
mannetjes
Dus waar zat de fout? Hoe kan een populatie zich toch in tweeën
splitsen, zonder te worden gehinderd door de door Mayr voorspelde
genetische vermenging? Evolutiebioloog John Endler van de Universiteit
van Californië in Santa Barbara loste het probleem in 1977
op. Als de extreem gevormde individuen (de groot- en kleinsnavelige
vogeltjes uit het voorbeeld) inderdaad in het voordeel zijn, en
de gemiddeldsnavelige in het nadeel, redeneerde Endler, dan zullen
dieren die een erfelijke voorkeur hebben om te paren met partners
met dezelfde snavelgrootte ook in het voordeel zijn, omdat ze
op die manier voorkomen gemiddeldsnavelige kindertjes te krijgen.
In theorie
(en Endler lardeerde zijn betoog met een kleine honderd wiskundige
formules) klopte het, en inmiddels is bekend dat het ook in de
natuur niet zelden zo werkt. Want dezelfde lichaamsdelen die worden
gebruikt voor voedselkeuze spelen vaak ook een rol bij partnerkeuze.
Een mooi voorbeeld werd een paar maanden geleden gepubliceerd
door Jeffrey Podos van de Universiteit van Arizona. In Nature
rapporteerde hij dat grootsnavelige mannetjes van de Darwinvink
Geospiza fortis niet alleen hardere zaden aankunnen dan kleinsnavelige,
maar ook anders zingen. Eenvoudigweg doordat ze zingen zoals ze
gebekt zijn.
Inmiddels
zijn veel biologen ervan overtuigd dat soorten zich in de natuur
minstens zo vaak houden aan Darwin als aan Mayr. Endler, die eerder
over Mayr zei dat deze bijna iedereen lange tijd onder de duim
heeft gehouden, is opgelucht: 'Eindelijk! Eindelijk zijn die sterke
meningen aan het verdwijnen en beginnen mensen sympatrische soortvorming
serieus te nemen.'
En hoe denkt
Mayr er tegenwoordig zelf over? De nu 96-jarige bioloog, die nog
altijd een hoogleraarspositie bekleedt in Harvard University's
Museum of Comparative Zoology, laat desgevraagd over de telefoon
weten dat hij geen aanleiding ziet zijn oorspronkelijke mening
te herzien. Hoewel hij toegeeft dat de vissen in Kameroen sterk
bewijs zijn voor sympatrische soortvorming, beschouwt hij het
als een uitzondering op zijn regel. 'Allopatrische soortvorming
is de enige manier voor zoogdieren, vogels, en ook de meeste andere
dieren en planten', houdt hij onverbiddelijk vol met Duitse tongval.
Maar wie
de wetenschappelijke tijdschriften de laatste jaren heeft bijgehouden,
weet wel beter: Darwins Divergence of Character is terug van weggeweest.
|