|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Bruggen
voor brulapen en ecoducten voor edelherten
'Current
Themes in Ecology' heet de serie symposia die het Centrum voor
Oecologie Wageningen dit en komend jaar organiseert. U kon hierover
lezen in BIOnieuws 7. Reden voor deze 'berichten van het front'
was de versnippering van ecologisch onderzoek in Nederland. Het
is dan ook toepasselijk dat de eersteling uit de serie ook gewijd
was aan 'versnippering'--van populaties, welteverstaan. Vanwege
versnippering kunnen subpopulaties geen genen meer uitwisselen.
Beheersmaatregelen moeten dit tegengaan. Is dit bittere noodzaak,
of is het kruimelwerk, dat door sommigen als 'ecologisch tuinieren'
wordt afgedaan?
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in BIOnieuws, 23 mei 1998.)
De medische
literatuur staat bol van de meta-analyses, je kunt geen populairwetenschappelijk
boek openslaan of er wordt gerept van metafysica, steeds meer
situaties blijken metastabiel te zijn en ook de oecologie heeft
sedert enige tijd haar eigen 'meta-woord': metapopulatie.
Maar het
lijkt meer dan het is. Het beeld van een populatie organismen
zoals dat in de klassieke oecologische leerboeken naar voren komt,
is er een van een soepachtig geheel: een ongestructureerde massa
individuen die onbeperkt kunnen reizen en paren. Dit 'vrijheid-blijheid'-concept
is op niets anders gebaseerd dan luiheid: er is gemakkelijk aan
te rekenen.
In het echt
zit het anders. Misschien met uitzondering van zulke dieren als
de paling (waarvan alle individuen samenkomen één
plek middenin de oceaan om te paren) voldoet geen enkele dier-
of plantensoort aan dit panmictische ideaalbeeld. Populaties zijn
opgesplitst in kleinere eenheden, gescheiden door barrières,
waartussen maar beperkte migratie plaats vindt. Sommige deelpopulaties
sterven uit, om later weer opnieuw gevuld te worden door kolonisten
van elders. Kortom: metapopulaties.
'Er zijn
twee belangrijke redenen waarom onderzoek aan metapopulaties zo
in de belangstelling staat', zegt Hans de Kroon van het Centrum
voor Oecologie Wageningen. 'Ten eerste zijn ze uit puur wetenschappelijk
oogpunt interessant: hoe zit die dynamica in elkaar? Ten tweede
levert het inzichten op voor de bescherming van bedreigde soorten
in ons huidige gefragmenteerde landschap.'
De Kroon
is medeorganisator van de lezingenserie 'Current Themes in Ecology',
die de komende anderhalf jaar in Wageningen wordt gehouden. Voor
de eerste dag uit de reeks, getiteld 'Metapopulations and habitat
fragmentation', heeft hij getracht sprekers te ronselen uit beide
hoeken: zowel de puur wetenschappelijke als de natuurbeschermingsaspecten
werden tijdens het goedbezochte symposium op 8 mei jl. belicht.
Biologen
met penseeltjes
Een exponent van het natuurbeschermingskamp is de Amerikaan Richard
Primack. 'Hier in het dichtbevolkte West-Europa is iedereen er
al aan gewend, maar in de Verenigde Staten wordt pas de laatste
jaren beseft dat een steeds groter deel van de biodiversiteit
te vinden is in fragmenten verstoorde habitats in plaats van uitgestrekte
wildernissen', zegt Primack. En de metapopulatie-theorie kan helpen
de problemen in te schatten van zulke versnippering.
Hoe kleiner
de populaties, hoe groter de kans op uitsterven. Zo zijn kuddes
wilde schapen alleen levensvatbaar wanneer ze uit honderd individuen
of meer bestaan; kleiner, en ze leggen vroeg of laat het loodje.
Een van de andere sprekers, Joop Ouborg van de Katholieke Universiteit
Nijmegen, vergeleek plantenpopulaties langs onze grote rivieren
in de jaren vijftig en de jaren tachtig. Hij vond hetzelfde: hoe
kleiner de populatie in
de jaren vijftig, hoe kleiner ook de kans dat de planten er dertig
jaar later nog stonden.
De levenskansen
van metapopulaties zijn dus te verhogen door de migratie tussen
subpopulaties op te hogen, zegt Primack. 'Een B-weg kan voor veel
dieren al een enorme barrière vormen. In Zuid-Amerika wordt
momenteel succes geboekt met het maken van bruggetjes over zulke
wegen als migratieroute voor brulapen; het werkt,en bovendien
is het een leuk gezicht.' En op Borneo zijn de orang-oetanpopulaties
zo versnipperd, dat mensen de dieren heen en weer moeten vervoeren.
Soms neemt
dergelijke antropogene gene-flow extreme vormen aan. Zoals in
het geval van zeldzame Hawaiiaanse bloemen. Die leven in zulke
pietepeuterige restjes regenwoud dat de insecten die voor de bestuiving
zorgen, zijn uitgestorven. De rol van bestuivers is daarom overgenomen
door biologen met penseeltjes. En een bepaalde Amerikaanse specht
was op een gegeven moment zo zeldzaam geworden dat natuurbeschermers
besloten gaten te gaan boren in dode bomen om de dieren te bewegen
tot het stichten van nieuwe populaties.
Primack is
een fervent pleitbezorger van dit soort activiteiten, die door
een der congresgangers werden bestempeld als 'oecologisch tuinieren'.
De hoogleraar plantenoecologie aan de Universiteit van Boston
zag het licht toen hij aan het eind van de jaren tachtig onderzoek
deed in het tropisch regenbos op Borneo. 'Toen ik het bos om me
heen zag verdwijnen, realiseerde ik me dat ik veel te academisch
bezig was.' In 1992 werd hij door de uitgeverij Sinauer benaderd
met de vraag of hij een leerboek wilde schrijven over 'conservation
biology'.
Nauwelijks
een jaar later (Primack: 'Mijn gezin heeft me al die tijd amper
gezien') lag 'Essentials of Conservation Biology' op de plank.
Het boek, waarvan de tweede editie zojuist is verschenen, geldt
inmiddels als het standaardwerk en is in vele talen vertaald.
Zo werkte Primack voor de Japanse uitgave samen met een Japanse
oecologe, die het boek niet alleen vertaalde, maar ook voorzag
van plaatselijke voorbeelden.
Kritiekloos
kruimelwerk?
Toch is het verbazend dat het nut van herintroductie en het kunstmatig
vergroten van migratie in veel landen zo kritiekloos wordt aanvaard.
Ouborg merkte op dat verhoogde migratie tussen subpopulaties niet
altijd zo goed uitpakt: van planten is bekend dat populaties vaak
zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. Het binnensluizen
van genetisch materiaal van elders kan die adaptatie doen verwateren.
En er zijn
nog andere bezwaren, zoals ook een vragensteller uit de zaal opmerkte.
Het
beschermen van enkele, meestal grote en opvallende soorten, kost
veel geld en tijd die mogelijk beter besteed zouden kunnen worden
aan het beschermen van complete ecosystemen. Bovendien wekt het
bij publiek en politiek de indruk dat dergelijk kruimelwerk afdoende
is voor het behoud van biodiversiteit, terwijl miljoenen andere
soorten die die voorkeursbehandeling onthouden wordt.
Maar Primack
vindt de publieke goedkeuring van herintroductieprogramma's juist
een goede zaak. 'Ik zorg voor veel publiciteit voor mijn werk
en het is altijd weer leuk om te zien hoe dit soort projecten
bij de mensen leeft. En ondertussen profiteren veel andere dier-
en plantensoorten mee van de maatregelen die gericht zijn op slechts
één opvallende soort.'
'Natuurlijk
is het onzin om alleen maar te zeggen: we gaan tien miljoen dollar
besteden om alle orang-oetans in één groot reservaat
te stoppen', aldus Primack. 'Je moet dergelijk geld aanwenden
om niet alleen die apen te helpen maar tegelijkertijd zijn gehele
leefomgeving te beschermen. Het zijn wel de orang-oetans die het
geld binnenhalen.'
|