|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Het moleculair
bankroet van de rassentheorie
Current Themes
in Ecology heet de serie symposia die het Centrum voor Oecologie
Wageningen dit en komend jaar organiseert. BIOnieuws doet verslag
van elk van deze bijeenkomsten (zie BIOnieuws 7 en 10). Ditmaal
een nieuw 'bericht van het front', naar aanleiding van het symposium
Advances in Molecular Ecology, dat op 12 juni werd gehouden. Over
het verstandshuwelijk tussen de oecologie en de moleculaire biologie.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in BIOnieuws, 29 augustus 1998.)
Oecologie
of ekologie was altijd al een rekbaar begrip. Afhankelijk van
de spelling kon het staan voor de wetenschappelijke studie van
interacties tussen organismen en hun omgeving of voor een linksige
politieke stroming die milieubescherming hoog in het vaandel heeft
staan. Maar zelfs de wetenschappelijke grenspalen van de oecologie
beginnen de laatste tijd steeds verder in andere vakgebieden geplaatst
te worden. Zoveel was wel duidelijk bij bestudering van het programma
van het tweede symposium in de Wageningse serie Current Themes
in Ecology.
De zeven
voordrachten gingen onder andere over zelfzuchtige chromosomen
bij sluipwespen, fylogenie van symbiotische bacteriën in
bladluizen, rassentheorie en fitness van malariaparasieten. Behoorlijk
uiteenlopende onderwerpen, die evenmin misstaan zouden hebben
op respectievelijk een populatiegenetisch, systematisch, antropologisch
of medisch congres. En wie een tijdschrift als Molecular Ecology
doorbladert, komt tot dezelfde conclusie: onder de moleculaire
paraplu wordt tegenwoordig een veelheid aan disciplines samengebracht
die (afgezien van de moleculaire benadering) slechts één
kenmerk gemeen hebben: onderzoek op populatieniveau.
Oplossend
vermogen
En dat heeft natuurlijk alles te maken met het enorme oplossend
vermogen dat de moleculaire biologie ons vandaag de dag biedt.
Mocht je vijftien jaar geleden in je handen wrijven als je een
paar allozymen vond die binnen een soort variabel waren, tegenwoordig,
zo legde mede-organisator Rolf Hoekstra bij aanvang uit, 'kunnen
onderzoekers inzoomen op variatie op de allerkleinste schaal,
tot individuele variatie aan toe. Daarvoor gebruiken ze dan geavanceerde
technieken zoals AFLP, microsatellieten en fingerprinting.' Het
werd een dag met een hoog gel-gehalte.
Barbara van
Dam en Erica Bakker van de Landbouwuniversiteit Wageningen bijvoorbeeld,
doen mee in een internationaal onderzoek naar de kolonisatie van
Europa door eiken. De twee Nederlandse eikensoorten, Quercus
robur en Quercus petraea hebben ons land bereikt tijdens
een of meer kolonisatiegolven na de laatste ijstijd, zo'n dertienduizend
jaar geleden. Van Dam en Bakker keken naar genetische variatie
in chloroplast-DNA van een aantal autochtone eiken in ons land
en konden zo aantonen dat onze eiken afkomstig zijn uit voormalige
ijstijdrefugia op het Iberisch schiereiland, in Italië en
op de Balkan.
Maar ook
dieren kwamen aan bod. Zo past Guido Barbujani moleculaire oecologie
toe op de meest interessante diersoort die er op aarde rondloopt:
de mens. Barbujani, een elegante Italiaan die jarenlang werkte
bij grootheden als Luca Cavalli-Sforza en Robert Sokal in de Verenigde
Staten, runt momenteel zijn eigen onderzoeksgroep aan de Universiteit
van Ferrara. Daar werkt hij aan de verwantschap tussen de menselijke
rassen.
Barbujani:
'Nog steeds is de mening wijdverbreid dat de mensheid is opgedeeld
in een aantal duidelijk onderscheidbare rassen. De antropoloog
Coon sprak in de jaren zestig zelfs van 'ondersoorten'. Hij suggereerde
dat die ongeveer een half miljoen jaar geleden zijn ontstaan en
zich uiteindelijk zouden ontwikkelen tot aparte soorten. Inmiddels
is die mening, althans onder wetenschappers, min of meer achterhaald.
We weten nu dat de moderne mens niet meer dan tweehonderdduizend
jaar oud is en dat alle raciale verschillen zich sindsdien hebben
opgehoopt.'
Maar wat
is dan de betekenis van de toch duidelijke verschillen in uiterlijk
die we kunnen zien tussen negers, blanken, aziaten en australiërs?
Vormen die het topje van een ijsberg van verborgen genetische
verschillen? Al in 1972 probeerde geneticus Richard Lewontin die
vraag op te lossen door te kijken naar de variatie in eiwitten
binnen en tussen de verschillende etnische groepen (om het maar
eens politiek correct uit te drukken). Hij concludeerde dat 85,4%
van de gevonden variatie bestond binnen etnische groepen, terwijl
de variatie ertussen niet meer dan 7% bedroeg. Drie vergelijkbare
onderzoekjes in de jaren zeventig en tachtig kwamen uit op bijna
identieke getallen.
Zestien
populaties
'Maar,' zegt Barbujani, terwijl hij een peertje schilt in de foyer
van het Wageningse IAC-congrescentrum, 'dat waren steeds eiwitgegevens.
En sceptici zeiden steeds maar: het is helemaal niet gezegd dat
die paar eiwitten representatief zijn voor de variatie in het
totale genoom.' Dus besloot Barbujani Lewontins onderzoek nog
eens op een moderne manier over te doen: grootschalig én
met DNA. Hij verzamelde bloedmonsters van 1109 medemensen uit
16 populaties van over de hele wereld en bekeek de variatie in
109 merkers, bestaand uit microsatellieten (lengtevariaties in
repeterend DNA) en RFLPs (Restriction Fragment Length Polymorphisms:
de aan- of afwezigheid van bepaalde kenmerkende stukjes DNA).
De resultaten,
die hij afgelopen jaar publiceerde in de Proceedings of the National
Academy of Sciences of the USA, waren verbluffend. Niet omdat
ze iets nieuws te zien gaven, maar juist omdat ze vrijwel identiek
waren aan de eerder, met hele andere genetische merkers behaalde
resultaten. Barbujani berekende dat de individuele variatie 84,4%
bedroeg, terwijl de variatie tussen groepen slechts 10,8% was.
'Het was frappant dat alle vijf de studies, vier op basis van
eiwitten en een op basis van DNA, getallen opleverden die minder
dan een procent van elkaar verschillen.'
Het staat
nu dus vast dat er niet veel meer genetisch verschil tussen de
'rassen' bestaat dan wat je op het eerste gezicht ziet. Barbujani:
'Als je twee mensen neemt die tot verschillende rassen zouden
moeten behoren, bijvoorbeeld ik en Michael Jackson...of...nee,
dat is misschien niet zo'n goed voorbeeld; laten we zeggen ik
en Prince, dan is het genetisch verschil tussen ons tweeën
vrijwel net zo groot als tussen twee Hollanders uit dezelfde straat.
Of op een andere manier: je kunt het grootste deel van de wereldbevolking
uitroeien zonder verlies aan genetische variatie. Dat is natuurlijk
geen goede reden om het experiment uit te voeren,' voegt hij er
haastig aan toe.
|