|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Kwam Eva
tóch uit Afrika?
De Zwarte
Eva-theorie werd door de pers met veel enthousiasme onthaald,
maar uiteindelijk in wetenschappelijke kring gekraakt. Uit onderzoek
naar 'springende genen' blijkt echter dat de theorie waarschijnlijk
toch juist was.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 3 maart 1995.)
Op nieuwjaarsdag
1987 publiceerden drie Amerikaanse genetici in het tijdschrift
Nature een stamboom, gebaseerd op hun onderzoek aan het DNA van
147 personen uit allerlei etnische groepen. Daaruit hadden ze
afgeleid dat Homo sapiens zo'n tweehonderdduizend jaar geleden
in Afrika was ontstaan. En omdat het DNA dat ze gebruikt hadden
afkomstig was uit de mitochondriën, celelementjes die alleen
via de moeder worden overgeërfd, lag het voor de hand om
te spreken van een 'Afrikaanse Eva' of Black Eve--een term die
door de populaire pers gretig werd overgenomen.
Maar met
het succes kwam ook de kritiek. Enerzijds waren er theoretici,
die aantoonden dat de gebruikte statistiek niet deugde. Daarnaast
wilden sommige paleontologen de hypothese niet accepteren, omdat
hun fossielen een heel ander verhaal vertelden. Zo werd Zwarte
Eva in wetenschappelijke kring al snel weer afgeschreven. 'African
Eve Backers Beat a Retreat' heette het in Science in 1992.
Maar dat
blijkt voorbarig te zijn geweest. Het tij keert zich nu ten gunste
van de Afrikaanse Eva-hypothese. Een team van elf Amerikaanse
en Grieks-Cypriotische onderzoekers heeft ontdekt dat de theorie
wordt gesteund door een groep heel bijzondere stukjes DNA: de
jumping genes.
Deze 'springende
genen', ook wel transposons genoemd, zijn stukjes DNA die geen
vaste plek op een van de chromosomen hebben, maar voortdurend
heen en weer springen. Soms vindt bij zo'n sprong een vermenigvuldiging
plaats: de kopie verplaatst zich naar een andere positie, terwijl
het origineel op zijn plek blijft. Zo kan het gebeuren dat van
bepaalde transposons een groot aantal kopieën, tot vele duizenden,
verspreid over de chromosomen te vinden zijn. Meestal hebben de
betreffende stukken DNA geen functie meer: het zijn 'dode genen',
ontstaan doordat er bij het kopiëren van DNA foutjes optreden,
waardoor de oorspronkelijke informatie verloren gaat.
In ons genoom
springen talloze legers van deze dode genen rond. Het grootste
is de Alu familie. Ooit begonnen als slechte kopieën van
het gen 7SL, heeft deze familie zich inmiddels vermenigvuldigd
tot een half miljoen exemplaren, die samen meer dan vijf procent
van het totale menselijke DNA uitmaken. Omdat niet alle Alu-stukjes
identiek zijn, kunnen ze weer worden verdeeld in een aantal onderfamilies.
Pygmeeën
Mark Batzer en zijn medewerkers onderzochten de Alu-fragmenten
bij 664 mensen uit zestien verschillende etnische groepen. De
Alu-onderfamilies komen ook voor bij onze nauwe verwanten, de
apen, maar het Amerikaanse-Griekse team ontdekte dat er één
groep bestaat die alleen bij de mens voorkomt. Bovendien vonden
zij dat bepaalde leden van deze onderfamilie niet bij àlle
mensen aanwezig zijn. In totaal lokaliseerden ze vier van zulke
variabele Alu-inserties.
Het is deze
variatie nu, die Batzer en zijn team (in een publikatie in de
Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA, december
1994) gebruikten om de loop van de menselijke evolutie te achterhalen.
Omdat de betreffende Alu-inserties ontbreken bij chimpansees,
gorilla's en andere apen, zo redeneerden ze, moesten de inserties
zijn ontstaan in een van onze directe voorouders. Ze bepaalden
de frequenties van voorkomen van de inserties in zestien verschillende
etnische groepen en pasten de statistische methode van maximum
likelihood toe om na te gaan wat het meest waarschijnlijke patroon
van verwantschap zou zijn.
Het resultaat
is een stamboom waarin Nigerianen, Zaïrese en Centraalafrikaanse
pygmeeën als eersten van de voorouder aftakken. Pas daarna
verschijnen de Europeanen en als laatsten de Aziaten, Indianen,
Papoea's en Aboriginals. Het feit dat de Afrikanen in de stamboom
als eersten ontstaan, is in overeenstemming met de Eva-hypothese.
Inmiddels
zijn er ook andere gegevens die wijzen op een vroege oorsprong
van de Afrikaanse volkeren. Zo vond Antonio Torroni van Emory
University enkele jaren geleden dat de genetische variatie van
Senegalezen tweemaal zo groot is als die binnen niet-Afrikaanse
volkeren, een aanwijzing voor een langere geschiedenis van Homo
sapiens in Afrika. En vorig jaar publiceerde A.M. Bowcock van
de Universiteit van Texas in Nature een stamboom, gebaseerd op
'microsatelliet-DNA'. Ook daarin splitst de Afrikaanse tak als
eerste af.
Bedreigde
soort
Bijna tegelijk met het verschijnen van de Alu-stamboom werd ook
nieuw licht geworpen op een ander probleem in de menselijke evolutie:
hoeveel mensen waren er ten tijde van Afrikaanse Eva? Een groep
van Japanse en Duitse onderzoekers, geleid door de geneticus Naoyuki
Takahata, maakte bekend het antwoord te hebben en stond het tijdschrift
Science toe op 6 januari een sneak preview te plaatsen van de
nog ongepubliceerde studie.
Doel van
het onderzoek van Takahata en zijn collega's Satta en Klein was
uit te vinden waarom de mens genetisch zo uniform is. Ondanks
de grote verschillen in uiterlijk lijken mensen op DNA-niveau
sterk op elkaar; veel meer dan bijvoorbeeld chimpansees of gorilla's.
Verschillende wetenschappers hadden eerder gesuggereerd dat dit
het gevolg kon zijn van een 'bottleneck' in onze evolutie: een
periode waarin het aantal mensen op aarde sterk verminderde, zodat
ook de DNA-variabiliteit afnam. Maar wanneer had dit plaatsgevonden?
En hoe klein zou de toenmalige populatie geweest zijn?
Gedecimeerd
Om die vragen te beantwoorden keken Takahata en zijn medewerkers
naar de variatie in vijftig verschillende genen. Ze bepaalden
het gemiddelde DNA-verschil tussen twee genvarianten, een maat
die bekend staat als 'genetische afstand'. Met deze maat kan de
populatiegrootte worden berekend die nodig is geweest om de huidige
variatie te veroorzaken. Volgens deze methode kwamen de onderzoekers
uit op slechts tienduizend personen. De mens, zo zei Takahata,
'was ooit net zo'n bedreigde soort als de berggorilla's vandaag
de dag'.
Maar was
de flessehals wel echt een flessehals, of was de populatie vanaf
het begin zo klein, en hebben de mensen zich pas de laatste paar
duizend jaar sterk vermenigvuldigd? Dat laatste is volgens de
onderzoekers zeker niet het geval. Ze vonden namelijk bepaalde
genvarianten die ook aanwezig zijn bij chimpansees en gorilla's,
waarvan de mens al zeker 6 miljoen jaar geleden is afgesplitst.
Berekeningen toonden aan, dat er ooit een populatie van zeker
honderdduizend geweest moet zijn om die variatie al die tijd te
behouden. Dus, zo concluderen Takahata en zijn collega's, de mensheid
is wel degelijk ooit gedecimeerd, om daarna weer verder te groeien.
En dat sluit
goed aan bij de Eva-hypothese. Die zegt niet alleen dat Homo sapiens
zo'n tweehonderdduizend jaar geleden in Afrika is ontstaan, maar
ook dat Eva's nakomelingen zich over de aarde verspreidden zonder
te paren met al bestaande mensachtigen, zoals Homo erectus.
|