| |
© Copyright
Menno Schilthuizen
In biologisch
luilekkerland
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Bionieuws, 4 juli 2003.)
Meestal houden slakken zich overdag schuil, maar het liep tegen
het eind van de middag en het regende, dus was-ie alvast tevoorschijn
gekomen. Op een kletsnat blaadje in het bos sleepte hij zijn kegelvormig
huisje voort, dat gebroken wit was met een grappig bruin lijntje,
als het laatste stompje van een zuurstok. Dat was eergisteren,
langs een bergweggetje een paar uur rijden hiervandaan. Nu zweeft
hij, voor de eeuwigheid bewaard, in een flesje alcohol hier voor
me op mijn werktafel. Nooit eerder gezien, dat beest, en waarschijnlijk
een nog onbeschreven soort.
Vrienden
uit beter doorvorste landen voegen me wel eens likkebaardend toe
dat ik maar geluk heb, te kunnen werken in zo'n biologisch luilekkerland
als Borneo. Inderdaad liggen de nieuwe ontdekkingen hier voor
het oprapen. En niet alleen maar onder het kleine grut als slakken
en insecten. Aan de hand van mitochondriaal DNA kwamen we er vorig
jaar achter dat de witkruinvorkstaart, een bonte bosvogel, uit
twee soorten bestaat. Verder gaat het gerucht dat Amerikaanse
onderzoekers op het punt staan bekend te maken dat de Borneose
vorm van de Indische olifant genetisch gezien een aparte ondersoort
is. En een Fransman die hier onderzoek doet aan primaten, ontdekt
de ene onbekende orang-oetan-populatie na de andere.
Erg opwindend
allemaal, maar het mes snijdt aan twee kanten. Want als er veel
te ontdekken is, is er ook veel onbekend. En menig onderzoeker
loopt vast op het struikgewas van embryonale taxonomie waar hij
of zij zich doorheen moet worstelen, het ontbreken van ecologische
gegevens, enzovoorts. Als je in Nederland een onderzoekje wilt
doen aan, zeg, waterjuffers, dan pak je de Libellen van Nederland
uit de kast, en je hebt een compleet overzicht van morfologie,
verspreiding, fenologie, levenswijze en gedrag. Je voert Coenagrion
in bij GenBank en er rollen een aantal treffers uit. In een mum
van tijd is je voorbereidende werk gedaan en kun je aan de slag.
Hier kennen
we die luxe niet. Zelfs voor aaibare groepen als vogels en zoogdieren
is de kennisbasis flinterdun. Van de baleinwalvissen bijvoorbeeld,
kennen we van de kust van Borneo welgeteld drie aangespoelde exemplaren.
Geen wonder dus dat de meeste van onze studenten, als ze werken
aan minder populaire groepen als pissebedden en steeloogvliegen,
niet veel verder komen dan soortenlijsten met genusnamen. En mijn
ritje in de bergen eergisteren? Een van de projecten waaraan ik
werk is soortvorming bij endemische slakken op bergtoppen. Dus
eerst een voorbereidende kartering doen in het bergland rond Kota
Kinabalu. We zijn nu drie jaar verder en nog steeds trek ik elke
maand de bergen in, vind ik nieuwe soorten en staat er nog geen
DNA-sequentie in Genbank. Ik bedoel maar te zeggen: Borneo is
alleen maar een biologisch luilekkerland als je dol bent op voorgerechten.
|