|
© Copyright
Menno Schilthuizen
En er
was leven
Hoe de evolutie
van het leven is verlopen, is wel zo ongeveer bekend. Alleen over
de eerste miljard jaar tasten biologen in het duister. Wat was
er voordat er cellen waren,
en hoe kwam de eeuwige cirkel van DNA en eiwitten op gang? De
laatste jaren
komen er--voorzichtige--antwoorden.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 4 oktober 1996.)
Mars barst
van de microben, en op Europa en Titan, manen van respectievelijk
Jupiter en Saturnus, zou ook wel eens het een en ander kunnen
rondkruipen. Als je NASA moet geloven, tenminste. De Amerikaanse
ruimtevaartorganisatie is de laatste tijd helemaal in de ban van
buitenaards leven en heeft een reeks exobiologische missies op
stapel staan. Zelfs Bill Clinton is overstag; hij verklaarde kort
geleden dat 'het Amerikaanse ruimtevaartprogramma haar volle intellectuele
kracht en technologische bekwaamheid zal aanwenden voor de zoektocht
naar leven op Mars'.
Maar tegelijkertijd
blijft NASA ook met beide benen op de grond. Vier jaar terug besloot
de organisatie een miljoen dollar per jaar uit te trekken voor
een centrum dat zich richt op het ontstaan van het leven op onze
eigen planeet. Hoewel, centrum... het NSCORT (NASA Specialized
Center of Research and Training) is wat de NASA noemt een 'virtueel
centrum': een samenwerkingsverband tussen zeven toponderzoekers
aan vier verschillende Amerikaanse instituten.
Die zeven
wetenschappers houden zich bezig met een van de meest fundamentele
en tegelijkertijd ongrijpbare problemen uit de biologie: het ontstaan
van het leven zelf.
De alleroudste fossielen tonen al minuscule bacteriën. Over
alles wat er vóór die tijd gebeurde--het ontstaan
van DNA en eiwitten, genen en cellen--daarover kan alleen maar
worden getheoretiseerd en gespeculeerd.
En dat gebeurt
dan ook in alle hevigheid. 'Het moet allemaal begonnen zijn met
een zichzelf kopiërend molecuul. Zoveel is zeker', zegt de
voorzitter van het NSCORT-team, Jeffrey Bada van het Scripps Institution
of Oceanography in La Jolla, Californië. 'Maar over wat voor
soort molecuul dat was, wanneer en waar het gebeurde, en hoe snel,
bestaat grote onenigheid.'
Verbijsterende
resultaten
Het lijkt misschien vreemd dat uitgerekend NASA geld steekt in
een zo 'aardse' aangelegenheid. Een ander NSCORT-lid, de biochemicus
Stanley Milter, legde vorig jaar in Science uit waarom dat is.
'Als je op zoek gaat naar leven op andere planeten', zei hij,
'is het van essentieel belang dat je weet hoe het op aarde ontstaan
is.'
En Miller
kan het weten. Hoewel Darwin en een paar vooroorlogse theoretici
al wat gedachten over het ontstaan van het leven hadden opgeschreven,
was hij het die in 1953 het veld gestalte gaf. Miller, toen een
23-jarige chemiestudent aan de Universiteit van Chicago, bracht
een bijna dertig jaar oud idee van de Rus A.I. Oparin in de praktijk.
Deze had gesuggereerd dat de gassen in de vroege atmosfeer van
de aarde onder invloed van UV straling en bliksem met elkaar konden
reageren en dat zo de eerste biochemische moleculen ontstaan konden
zijn.
Miller, tegenwoordig
verbonden aan de Universiteit van Californië in San Diego,
en still going strong, herinnert zich die tijd nog goed. 'Het
begon allemaal met een lezing van de Nobelprijswinnaar Harold
Urey die ik bijwoonde', vertelt hij via de telefoon vanuit San
Diego. 'Urey besprak het idee van Oparin en merkte op dat niemand
dat ooit experimenteel had getest. Toen ik kort daarna op zoek
ging naar een onderwerp voor mijn promotieonderzoek, herinnerde
ik me zijn opmerking en klopte bij hem aan.'
'Urey probeerde
me het plan uit het hoofd te praten. Hij vond het te riskant;
de kans was groot dat ik er een boel werk in zou steken zonder
resultaat te boeken. Maar toen hij doorkreeg dat ik vastbesloten
was, spraken we af dat ik er in eerste instantie zes maanden aan
zou besteden. Zou ik na afloop van dat halfjaar geen resultaten
hebben, dan kon ik alsnog op een ander onderwerp overstappen'.
Miller ging
direct aan het werk. In een stelsel glazen buizen maakte hij een
atmosfeer van methaan, ammoniak, waterstof en waterdamp boven
een kokende 'oceaan' van water. Vervolgens joeg hij daar een week
lang elektrische vonken doorheen, als substituut voor bliksem.
De resultaten
waren verbijsterend. In een kort artikeltje van amper een pagina
in Science van 15 mei 1953 beschrijft hij hoe zich een zwarte
teeraanslag tegen de binnenkant van zijn glazen pijpen en stolpen
vormde, en zijn oceaan zich na verloop van tijd dieprood kleurde.
De rode soep bleek aminozuren te bevatten, de stoffen waaruit
eiwitten zijn opgebouwd. Sommige hiervan waren zelfs in zeer grote
hoeveelheden aanwezig.
Niemand had
gedacht dat de bouwstenen voor eiwitten, waar levende organismen
toch het alleenrecht op leken te hebben, zo gemakkelijk konden
ontstaan. Miller werd wereldberoemd, zijn experiment werd bijgeschreven
in het rijtje klassieke proeven in de schoolboeken en een heel
leger chemici ging zich met vergelijkbaar onderzoek bezighouden.
Lettervermicelli
Maar aminozuren mogen de bouwstenen van eiwitten zijn, complete
eiwitten werden in Millers kolf niet gevonden. Hoe zouden de aminozuren
zich aaneengeregen kunnen hebben tot eiwitten?
Sidney Fox,
een wetenschapper van de Universiteit van Miami, deed in de jaren
zeventig experimenten met het verhitten en drogen van aminozuren,
iets wat in de buurt van vulkanen op de jonge aarde veelvuldig
voorgekomen moest zijn. Hij vond weliswaar korte eiwitachtige
stoffen, maar de manier waarop de aminozuren in deze verbindingen
aan elkaar gekoppeld waren, was veelal anders dan in de ons bekende
eiwitten.
Door alle
aandacht voor aminozuren leken trouwens veel mensen over het hoofd
te zien dat er nog andere interessante ingrediënten in Millers
oersoep dreven. Zo werden ook twee van de vier bouwstenen van
DNA (en een verwante stof, RNA) in grote hoeveelheden geproduceerd,
namelijk adenine en guanine. Maar het duurde tot afgelopen zomer
eer Miller en zijn student Michael Robertson erin slaagden ook
cytosine en uracil op te wekken in het vonkapparaat. (Miller:
'Niet mijn oorspronkelijke apparaat; dat is allang uit elkaar
gevallenl') Samen met adenine en guanine vormen die de hoofdbestanddelen
van RNA.
Behalve de
benodigdheden voor de vorming van eiwitten, was dus wellicht ook
de RNA-lettervermicelli al in de oersoep aanwezig. Maar ook hier
was het moeilijk voor te stellen hoe de losse bouwstenen ('nucleotiden')
vanzelf in elkaar konden klikken. De biologen John Maynard Smith
en Eörs Szathmáry sommen in hun boek The Major Transitions
in Evolution de hindernissen op: ribose, het suikermolecuul dat
de ruggegraat van RNA vormt, is onstabiel: het valt in een paar
minuten uit elkaar; verder is er geen reden om aan te nemen dat
er hoge concentraties ribose in de oersoep zaten; bovendien willen
adenine en guanine zich nog wel spontaan aan ribose hechten, maar
hetzelfde met cytosine en uracil lukt van geen kant.
Eind jaren
zeventig zag de Duitse biochemicus Giinter Wächtershäuser
in dat een deel van de theoretische obstakels veroorzaakt werd
door de soepmetafoor. In een waterige omgeving hebben moleculen
een te grote bewegingsvrijheid, waardoor het samenklonteren tot
lange ketens gewoon te onwaarschijnlijk wordt. Wächtershäuser
stelde zich in plaats van een oersoep een 'primitieve pizza' voor:
een plat vlak waar de oersoep-ingrediënten zich op hechtten.
Doordat de bewegingsvrijheid op een plat vlak aanzienlijk kleiner
is, komen de benodigde chemische 'botsingen' een stuk vaker voor--zoals
auto's op de weg een grotere kans hebben om te botsen dan vliegtuigen
in de lucht.
Wächtershäusers
favoriete pizzabodem is het goudglanzende, onoplosbare mineraal
pyriet, een algemeen voorkomende verbinding tussen zwavel en ijzer.
De buitenzijde van een pyrietkristalletje is positief geladen,
terwijl de meeste biochemische bouwstenen negatief geladen zijn,
en zich dus gemakkelijk zullen hechten op pyriet.
Een aantrekkelijke
bijkomstigheid van de pyriethypothese is dat de chemische reactie
zichzelf in stand houdt: de energie die vrijkomt bij de groei
van pyrietkristallen, komt weer ten goede aan de zich verlengende
RNA-moleculen, die op hun beurt, dankzij hun negatieve lading,
weer positief geladen ijzer- en zwavelatomen aantrekken. Daarnaast
merkt Wächtershäuser op dat veel enzymen (ook eiwitten)
vandaag de dag nog een kern hebben die bestaat uit een ijzerzwavelverbinding.
Maar niet
iedereen is even gecharmeerd van Wächtershäuser en zijn
theorie. 'We kunnen niet zo goed met elkaar overweg', geeft Jeffrey
Bada toe. 'Ik noem zijn werk altijd "papieren scheikunde".
Hij schrijft duizend chemische reacties op en kiest dan alleen
die formules die hem bevallen. Miller valt Bada bij: 'Ik ben alleen
geïnteresseerd in reacties die echt werken. Laat hem dat
eerst maar eens aantonen, dan praten we verder.'
Heinekenprijs
Hoe het ook zij: na veertig jaar onderzoek lijkt de conclusie
onontkoombaar dat het prille aardoppervlak van vier miljard jaar
geleden al gewemeld moet hebben van die twee belangrijkste bestanddelen
van het hedendaagse leven, nucleïnezuren en eiwitten.
En dat brengt
ons bij een van de grootste kip-of-ei-problemen van de biologie.
Want vandaag de dag is er een duidelijke taakverdeling: nucleïnezuren
(DNA of RNA) zijn de dragers van de erfelijke code; met die code
worden eiwitten gesynthetiseerd, die op hun beurt, als enzymen,
alle chemische reacties in de cel katalyseren--inclusief de aanmaak
van nieuwe nucleïnezuren. Eiwitten kunnen zich dus niet vermenigvuldigen
zonder DNA en RNA, en vice versa. Toch lijkt het onwaarschijnlijk
dat deze taakverdeling in één keer uit het niets
ontstond. Welk van deze twee moleculen is als eerste op het evolutionaire
toneel verschenen? En hoe slaagde het erin zich te repliceren?
Een mogelijke
oplossing voor dit vraagstuk werd begin jaren tachtig gevonden
door de biochemicus Thomas Cech van de Universiteit van Colorado.
Cech werkte aan een bepaald gen in een eencellig organisme. Dat
gen bevat een intron, een stukje 'nonsens'-DNA dat tijdens de
vertaling in RNA (een tussenstap in het aanmaken van het betreffende
eiwit in de cel) wordt weggesneden.
Dit knip-
en plakwerk is typisch een klusje voor enzymen. Maar Cech toonde
aan dat er in dit geval geen eiwit bij betrokken was. Het RNA
deed het helemaal in zijn eentje. Zoals een arts die zijn eigen
blinde darm verwijdert, kon het RNA, zonder hulp van buiten, het
intron zelf verwijderen. Na een prijsvraag in Cechs lab werd besloten
zulke RNA-moleculen met enzym-achtige functies voortaan ribozymen
te noemen.
Niet lang
hierna werden ribozymen ook ontdekt bij talloze andere organismen.
Het bleek dat Cech bij toeval was gestuit op een heel nieuw biochemisch
fenomeen. Zijn ontdekking leverde hem wereldfaam op: in 1988 ontving
hij de Heinekenprijs en het jaar daarop, samen met zijn collega
Sidney Altman, kreeg hij de Nobelprijs voor chemie.
Haperende
hamertjes
Cechs ribozymen waren gefundenes Fressen voor onderzoekers die
zich met de oplossing van het kip-of-eiprobleem bezighielden.
Want het bestaan van ribozymen bewees dat het allereerste RNA
in principe geen enzymen nodig had voor zijn kopieeren vertaalwerk.
Het kon zijn eigen replicatie verzorgen. Zo vatte het beeld post
van een vroege aarde waarin RNA de scepter zwaaide. Pas later
in de evolutie zouden eiwitten de belangrijkste taak bij de replicatie
hebben overgenomen, en zou bij de meeste organismen DNA de belangrijkste
taak als informatiedrager hebben overgenomen.
De RNA-world-hypothese
veroverde stormenderhand de wetenschap als het favoriete model
voor de ochtenduren van de evolutie. Er was alleen één
probleem: haperende hamertjes.
Lang geleden,
toen de typemachine nog het voornaamste hulpmiddel van schrijvers
was, kwam je in schoolkranten en wijkblaadjes soms lollig bedoelde
stukjes tegen, waarbij de auteur zogenaamd kampte met steeds meer
weigerende hamertjes in zijn machine. Het begom meestal met eem
m, waarma uum of muurduru lutturs hut bugavum, urn al gauw wurt
tu tukst vollutig omluusbaar.
Informatiedragers
in de levende natuur, zoals RNA, hebben een vergelijkbaar probleem.
Wanneer zo'n molecuul wordt gekopieerd, worden er van tijd tot
lijd verkeerde bouwsteentjes in de kopie ingebouwd. Moderne organismen
hebben allerlei proeflees- en reparatie-enzymen om zulke mutaties
tegen te gaan, zodat het gewoonlijk maar één op
de miljard keer fout gaat.
Maar de allereerste
RNA-moleculen hadden nog niet de beschikking over zulke slimme
enzymen. Replicatie was toen nog een rommelig proces, waarbij
mutaties veel vaker voorkwamen: bij minstens één
op de honderd bouwstenen ging het mis. Foutloze kopieën lukten
daardoor alleen maar bij korte stukjes RNA.
Die allereerste
RNA-moleculen zaten daarmee in een lastig parket, door de bioloog
John Maynard Smith ooit de 'Catch-22 van de vroege evolutie' genoemd.
Om hun replicatie een beetje betrouwbaar te krijgen, moesten ze
eigenlijk een set enzymen gaan produceren die kon helpen met het
kopiëren. Om de informatie voor de aanmaak van zulke enzymen
op te kunnen slaan, moesten de RNA-moleculen langer worden. Maar
dat was nu juist onmogelijk vanwege de slordige replicatie. Probleem.
Een oplossing
voor die Catch-22 is tien jaar geleden aangedragen door de Hongaar
Eörs Szathmáry. Deze stelde zich voor dat afzonderlijke
stukjes RNA gingen samenwerken in compartimentjes, een soort primitieve
cellen. Het succes van een compartimentje hing af van welk soort
oergenen erin zaten en hoe goed die met elkaar overweg konden.
Alleen de combinaties waarin de oergenen met elkaar samenwerkten,
overleefden en plantten zich voort.
Buitenaardse
bijdrage
Die allereerste celletjes moeten er al vroeg bij geweest zijn.
De oudste fossielen, blauwwier-achtige bacteriën ontdekt
in West-Australië, leefden al 3,5 miljard jaar geleden, amper
een miljard jaar na het ontstaan van de aarde. Deze zomer, op
een congres in Orléans, maakte Gustav Arrhenius, een collega
van Bada bij de Scripps Institution, bekend nóg oudere
organismen te hebben gevonden.
Samen met
Australische en Britse geologen onderzocht Arrhenius koolstofbolletjes
in gesteente van 3,9 miljard jaar oud. De onderzoekers vonden
opvallend hoge concentraties C12, een koolstofisotoop die vooral
in levende organismen veel voorkomt. Arrhenius, die zegt zijn
vondst binnen enkele weken in een vooraanstaand weekblad te zullen
publiceren: 'Omdat er verder niets aan te zien is, noemen we de
bolletjes chemofossielen. Maar het staat vast dat het de restanten
van primitieve cellen zijn.'
Al met al
blijft er dus maar heel weinig tijd over tussen het afkoelen van
de aarde en het verschijnen van de eerste levensvormen. Voor sommigen
aanleiding om te gaan twijfelen of we het ontstaan van het leven
wel zo dicht bij huis moeten zoeken. En er zijn nog meer redenen
om aan een buitenaardse bijdrage te denken. Bada: 'De laatste
jaren plaatst men steeds meer kanttekeningen bij Millers aannames
over de vroege atmosfeer. Hoewel niemand het zeker weet, is het
mogelijk dat die alleen maar uit kooldioxyde en stikstof bestond,
zonder ammoniak. En als je dáár een vonk doorheen
jaagt krijg je niets. Helemaal niets.'
Tegelijkertijd
komt er steeds meer bewijs voor het bestaan van aminozuren en
andere organische moleculen elders in het heelal. Tien jaar geleden
ontdekte de ruimtesonde Giotto dat de komeet van Halley letterlijk
zwart zag van de koolstofverbindingen, terwijl twee jaar geleden
het aminozuur glycine werd gevonden in een gaswolk in het middelpunt
van ons melkwegstelsel. En een meteoriet die eind 1969 uit elkaar
spatte boven het Australische plaatsje Murchison, bleek aminozuren
te bevatten in dezelfde samenstelling als Miller in zijn vonkapparaat
had gevonden.
Alles bij
elkaar moet er in de kinderjaren van onze planeet heel wat organisch
materiaal in de vorm van meteorieten en kometen zijn neergekomen.
Schattingen lopen uiteen van duizend tot tienduizend ton per jaar.
Maar is dat genoeg om het ontstaan van het leven op een hemels
conto te schrijven? Miller, die nog steeds vasthoudt aan zijn
resultaten, denkt van niet. 'Volgens mij is het buitenaardse aandeel
te verwaarlozen. Een paar procent hooguit. Het merendeel is gewoon
op aarde ontstaan.'
Buckyballs
Bada is daar inmiddels niet zo zeker meer van. Begin dit jaar
ontdekten hij en zijn collega Luann Becker dat een twee miljard
jaar oude komeetkrater in Ontario bezaaid was met zogenoemde buckyballs,
bolvormige koolstofmoleculen. Ze vonden bovendien dat de buckyballs
grote hoeveelheden helium bevatten, een element dat alleen in
de ruimte algemeen voorkomt. Bada: 'Tot die tijd dacht ik eigenlijk
altijd dat grote moleculen als buckyballs dit soort inslagen niet
zouden overleven. Maar dat bleek dus wel het geval.' Bada is nu
bezig met experimenten die uit moeten wijzen of aminozuren en
nucleïnezuren net zo stevig zijn als buckyballs.
En hoe zit
het met de bolletjes die ALH84001 bevolken, de Mars-meteoriet
die afgelopen zomer voor zo'n opschudding zorgde? Als dat werkelijk
restanten van leven blijken te zijn, zou dan het leven op aarde
oorspronkelijk van Mars kunnen komen? Bada: 'Dan zouden die beestjes
zowel de lancering van Mars als de landing op aarde overleefd
moeten hebben! Ik geloof er geen snars van.'
KADER 1: Het kip-of-ei probleem
Alle levende organismen maken gebruik van dezelfde twee soorten
moleculen: nucleïnezuren en eiwitten. Nucleïnezuren
zijn DNA of RNA, en fungeren als informatiedragers. Eiwitten zijn
de werkpaarden van de cel. De meeste eiwitten zijn enzymen, moleculen
die één bepaalde biologische reactie katalyseren.
De bouwtekening
van enzymen ligt opgeslagen in de nucleïnezuren, in de vorm
van een gen. De vertaling van het gen en het in elkaar zetten
van het enzym gebeurt door andere enzymen, evenals het kopiëren
van het DNA of RNA tijdens celdelingen. Nucleïnezuren en
eiwitten zijn dus van elkaar afhankelijk: zonder de één
functioneert de ander niet. Theorieën over het ontstaan van
het leven hebben daarom altijd geworsteld met het kip-of-ei probleem:
wat ontstond er eerst, nucleïnezuur of eiwit?
KADER
2: De oudere broer van ALH84001
Toen NASA afgelopen zomer bekend maakte sporen van leven te hebben
gevonden in ALH84001, een meteoriet van Mars, zal sommige oudere
liefhebbers van de wetenschap een ernstig gevoel van déjà
vu bekropen hebben. Want precies dezelfde claims werden al eens
eerder gemaakt; 35 jaar geleden om precies te zijn.
In 1864 landde
een meteoriet bij het Franse plaatsje Orgeuil. Franse onderzoekers,
onder wie Louis Pasteur, onderzochten de elf kilo zware steenklomp
en vonden opvallend grote hoeveelheden organischmateríaal.
Daarna bleef het stil rond de Orgeuil-meteoriet, tot, in maart
1961, drie onderzoekers van FordhamUniversity (NewYork) en het
ESSO Laboratorium bekend maakten er sporen van leven in gevonden
te hebben.
De onderzoekers
vonden biologische moleculen. Daarnaast ontdekten ze microscopische,
algachtige vormpjes', die bovendien positief reageerden op een
test voor de aanwezigheid
van DNA. Enkele werden alvast voorzien van botanische namen, zoals
Clausisphaera fissa en Caelestites sexangulatus. De ontdekkingen
veroorzaakten grote opschudding, zowel in de wetenschappelijke
wereld als in de pers. Maar de opwinding duurde niet lang.
In de jaren
erna werden de organismen één voor één
ontmaskerd als kristalletjes ijzersulfide, druppeltjes onderkoelde
zwavel en zelfs ordinair stuifmeel. De DNA-test bleek onbetrouwbaar:
ook steriele klei reageerde er positief op. Een en ander ontlokte
aan een commentator de uitspraak: 'Wat eerst klonk als het getrippel
van hemelse voetjes, blijkt slechts een aardse duimafdruk.'
|