|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Schimmel
helpt Nieuw-Zeelandse schapen
Voor sommigen
is het wel even slikken: een plantenziekte moedwillig verspreiden
in een landbouwgebied. Toch begint onkruidbestrijding met ziekteverwekkende
schimmels een eigen plaats te krijgen in de biologische plaagbestrijding.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 24 januari 1997.)
'Toen ik
het voor het eerst hoorde, dacht ik: wat een gek idee', zegt Matthijs
Gerlagh, onderzoeker bij het Instituut voor Plantenziektenkundig
Onderzoek (IPO-DLO) in Wageningen. Hij houdt zich al jaren bezig
met de bestrijding van de rattenkeutelschimmel, die allerlei akelige
ziekten veroorzaakt. Sclerotienrot bij witlof en bonen is een
berucht voorbeeld, maar ook aardappels, zonnebloemen, sla en knolselderij
worden aangetast. Nadat een plant bezweken is onder de ziekte,
zitten de stengels vol met ruststadia van de schimmel, die wel
wat weg hebben van de uitwerpselen van ratten--vandaar de naam.
Geen wonder
dus dat Gerlagh vreemd opkeek van het plan van een Nieuw-Zeelands
bedrijf om de rattenkeutels daar op grote schaal te verspreiden.
De graslanden in NieuwZeeland, waar zestig miljoen schapen op
grazen, beginnen overwoekerd te raken door akkerdistels, een per
ongeluk ingevoerd onkruid. Gerlagh: 'Daar willen ze van af. En
het bedrijf AgResearch heeft ontdekt dat rattenkeutels wel eens
de oplossing konden zijn, omdat ze geen gras aantasten, maar wel
distels.'
Opdringerig
struikje
De Nieuw-Zeelanders zijn dus van plan de rattenkeutel in te zetten
als mycoherbicide, een schimmel als biologisch bestrijdingsmiddel
tegen onkruiden. Het probleem van mycoherbiciden is echter dat
ze niet allemaal even specifiek zijn. Rattenkeutels zijn niet
alleen dodelijk voor distels, maar ook voor landbouwgewassen,
tot kiwi's aan toe. Reden voor het bedrijf om de hulp in te roepen
van Meindert de Jong, verbonden aan de Wageningse vakgroep Theoretische
Productie-Ecologie, en expert op het gebied van 'risico-analyse'
bij het gebruik van mycoherbiciden.
De Jong deed
in de jaren tachtig onderzoek naar de bestrijding van Amerikaanse
vogelkers (een opdringerig struikje, ook wel 'bospest' genoemd)
met behulp van de loodglansschimmel. Hij ontwikkelde een manier
om te voorspellen hoe effectief de schimmel zou zijn, en vooral
ook: hoe schadelijk voor andere bomen en heesters.
'Ik deed
een heleboel veldwerk om erachter te komen hoe de schimmelsporen
zich verspreiden', vertelt De Jong. 'Dat hangt af van factoren
zoals temperatuur, windsnelheid, seizoen en tijd van de dag. Die
gegevens stopte ik in een computermodel waarmee ik kon aantonen
dat die schimmelsporen meestal niet ver komen.'
Om zijn computermodel ook bruikbaar te maken voor het Nieuwzeelandse
probleem moest De Jong het wel een beetje aanpassen. Zo vormen
de ruststadia en de geringe hoogte van de mogelijke slachtoffers
een extra factor om rekening mee te houden. Toch leek men zich
ook in Nieuw Zeeland geen zorgen te hoeven maken. Uit de computersimulaties
bleek dat de schimmel een actieradius van hooguit een paar honderd
meter heeft. 'Dat betekent dat landbouwgebieden geen gevaar lopen.
Zolang je maar geen aardappels gaat verbouwen op een voormalig
schapenveldje.'
Gerlagh blijft
het toch een beetje griezelig vinden: 'Misschien dat zoiets in
Nieuw-Zeeland werkt, maar in Nederland zou ik het voor geen goud
willen proberen!'
Afwachtende
houding
Het eerste succes met mycoherbiciden dateert uit de jaren zeventig
en tachtig, toen in Australië en de Verenigde Staten een
roestschimmel werd gebruikt om skeleton weed mee te bestrijden.
In dezelfde tijd werd op Hawaii geëxperimenteerd met een
ander mycoherbicide, waarbij in negen maanden het onkruid met
tachtig procent werd gereduceerd. Die success-stories maakten
dat mycoherbiciden werden binnengehaald als verlossers tegen de
terreur van de chemische onkruidbestrijding.
Dat optimisme
is niet helemaal gerechtvaardigd, schreef Harry Evans, een expert
van het International Institute of Biological Control, vorig jaar
in de Canadian Journal of Botany. En dat komt niet alleen door
de potentiële gevaren. Evans wijst erop dat bedrijven en
onderzoeksinstituten een afwachtende houding aannemen tegenover
mycoherbiciden, omdat het allemaal 'goedkoop' onderzoek is, zonder
hoogwaardige technologie. Dat maakt het moeilijk om op eventuele
financiers serieus over te komen. Ook is de markt vaak klein,
en kampt de productie soms met technische problemen. Zeker drie
commerciële avonturen met mycoherbiciden zijn om zulke redenen
de afgelopen jaren een vroege dood gestorven.
|