|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Het donkere
bos heeft nooit bestaan
MENNO SCHILTIIUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 9 oktober 1997.)
De Veluwe.
Lommerrijke bossen, ruige heidevelden en imponerende zandverstuivingen.
Eén brok puur natuur. Nou ja, nep-natuur. De Amerikaanse
eiken en de meeste naaldbomen zijn van elders aangevoerd, de rest
is wel inheems maar aangeplant en de Ginkelse Hei en het Kootwijkerzand
zijn ontstaan door landbouw en veeteelt. Nee vroeger, zo meldt
het VVV-gidsje, vroeger was dat wel anders: rondzwervende groepen
jagers-verzamelaars hielden zich op in de 'dichte eikenbossen'.
En zo hoort
het ook. In ons collectieve West-Europese bewustzijn spelen dichte
eikenbossen een belangrijke rol. Hans en Grietje woonden er (kinderen
van een houthakker!) en diverse heksen, en ook Robin Hood had
er zijn domicilie. Vol weemoed denken we aan het Beekbergerwoud,
het laatste stukje Nederlands oerbos dat in de vorige eeuw op
de schop ging. Biologiestudenten moeten nu naar Bialowieza, het
ondoordringbare bos op de Pools/Wit-Russische grens dat als het
laatste restant oorspronkelijk Europees laaglandbos geldt.
De veertiende-eeuwse
Poolse koning Jagello was ook zeer gesteld op Bialowieza. Daarom
liet hij er een klein jachtslot bouwen, om te jagen op oerrund
en wisent, zoals een middeleeuws vorst betaamt. Maar, zo schrijft
bioloog Frans Vera in zijn onlangs verschenen proefschrift, 'je
kunt je afvragen wat de koning in de veertiende eeuw bezielde
om daar middenin een onderkomen te bouwen. (...) In het donkere
oerwoud eromheen zullen nauwelijks wilde dieren als het oerrund
en de wisent hebben geleefd, omdat het gesloten bos geen biotoop
van deze diersoorten is.'
Er is meer
mis met het idee dat heel Europa vroeger bedekt was met dichte
bossen, vindt Vera, die twee weken geleden aan de Landbouwuniversiteit
Wageningen promoveerde. Zo blijken bomen als eik en hazelaar in
een natuurlijk, dicht bos nauwelijks tot wasdom te kunnen komen.
Ze hebben rondom licht nodig en groeien dus optimaal langs bosranden
en in bosschages. Toch toont archeologisch onderzoek van stuifmeelkorrels
aan dat Europa de laatste tienduizend jaar volgestaan moet hebben
met uitgerekend deze boomsoorten. En dan zijn er nog de historische
bronnen. Zo toont een kaart van Bialowieza uit 1830 geen dicht,
aaneengesloten bos, maar juist een mozaïek van bos en open
plekken. 'Vrijwel zeker grasland', denkt Vera. Wat betekent dat
er voor Jagello toch wat te schieten viel.
Vera vindt
dat de theorie van de climaxvegetatie op de helling moet. In plaats
daarvan stelt hij een nieuwe theorie voor: die van de 'cyclische
turnover'. Grote grazers houden stukken grasland open. Hierin
groeien her en der bosschages met doornstruweel. Binnen die struwelen
kunnen eik en hazelaar wél opgroeien. Uiteindelijk groeien
de bosschages naar elkaar toe en vormen dicht bos, dat vervolgens
weer degenereert door storm en droogte, waarna het hele proces
zich herhaalt. Omdat verschillende stadia in dit proces naast
elkaar voorgekomen zullen zijn, levert dit een afwisselend, 'parkachtig'
landschap op.
Dit beeld
heeft consequenties voor de natuurbescherming. Tot nu toe ging
die ervan uit dat een aaneengesloten bos het hoogst bereikbare
was in de Nederlandse natuur. Maar als Vera gelijk heeft, moet
dat idee verlaten worden ten gunste van een beeld waarin plaats
is voor gras en vooral: graseters. Hier en daar lopen wel grote
grazers in natuurterreinen, maar, zo vindt Vera, nog veel te weinig.
'Paard en rund en eik en hazelaar worden dan weer wat ze van oudsher
waren: metaforen voor de wildernis.'
|