|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Evolutie
lapt oude wet biologen aan de laars
Al meer dan
een eeuw gelooft de wetenschap in de Regel van Cope, die zegt
dat dieren in de loop van de evolutie steeds groter worden. Een
Amerikaanse paleontoloog heeft nu eindelijk die regel eens aan
een test onderworpen.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant.)
Biologen
hebben het altijd wat moeilijk gehad met hun plaats binnen de
exacte vakken. Waar wis-, natuur- en scheikundigen leven in een
overzichtelijke wereld van constanten, wetmatigheden en formules,
blijft het binnen de biologie steeds schipperen met de ergerlijke
onvoorspelbaarheid die het leven nu eenmaal kenmerkt.
Maar gelukkig
bestaan er ook een paar biologische wetten, waar biologen uiteraard
erg trots op zijn. Neem nu de Wet van Dollo, die zegt dat gecompliceerde
organen, als ze eenmaal verloren zijn gegaan, niet opnieuw kunnen
evolueren. Of de Regel van Gausse, dat twee soorten met een identieke
niche, niet naast elkaar kunnen voortbestaan. Een derde pareltje
in het wetboek van het leven werd meer dan een eeuw geleden opgesteld
door de Amerikaanse dinosauriërkenner Edward D. Cope.
Cope was
een legendarische figuur. De Encyclopedia of Evolution kenschetst
hem als 'jaloers, vechtlustig en achterbaks' en zegt: 'Nog steeds
leeft zijn reputatie voort als een van de meest agressieve en
oorlogszuchtige wetenschappers aller tijden.'
Dat had Cope
voornamelijk te danken aan zijn passie voor dinosauriërs.
Honderden nieuwe soorten ontdekte hij, waarbij hij altijd probeerde
zijn aartsrivaal O. C. Marsh de loef af te steken. Daarbij ging
het vaak hard tegen hard: Cope had de gewoonte zijn eigen vindplaatsen
met dynamiet op te blazen, om te voorkomen dat Marsh er nog in
ging neuzen. Marsh op zijn beurt kocht stationschefs om, zodat
Cope's vondsten op transport naar Marsh' museum werden gezet.
Toch deed
Cope zijn bekendste ontdekking niet in de Badlands van Wyoming,
waar hij zijn opgravingen verrichtte, maar achter zijn bureau
in Philadelphia. Daar viel hem op dat de vertegenwoordigers van
een aantal diergroepen in de loop van de evolutie almaar groter
zijn geworden. Hij legde zijn ontdekking in 1871 vast in een publicatie
en sindsdien staat zij bekend als de Regel van Cope.
Er lijkt
geen speld tussen te krijgen, want het bewijs voor de Regel van
Cope loopt overal rond. Neem bijvoorbeeld onze eigen diergroep,
de primaten: ooit begonnen als onbeduidende spitsmuisachtige bodemdiertjes,
vandaag de dag behoren er zulke reuzen toe als de gorilla en de
vaak ook flink massieve Homo sapiens. En ook bij fossielen valt
dezelfde trend te zien. Een bekend voorbeeld zijn de Titanotheria,
uitgestorven neushoornachtigen, die in de loop der tijd zowel
groter werden als langere hoorns kregen.
Het ligt
natuurlijk ook voor de hand: groter betekent sterker, beter in
staat prooien te vangen of roofdieren te weren. Het kan bij warmbloedige
dieren ook betekenen dat het lichaam de warmte beter kan vasthouden,
waardoor efficiënter met voedsel kan worden omgesprongen.
Geen wonder dus dat natuurlijke selectie er langzaam maar zeker
toe zal leiden dat de kleine jongens het loodje leggen, terwijl
de dikkerds hen voorbijstreven.
Het is dan
ook begrijpelijk dat de Regel van Cope ruime toepassing vond in
de biologie. Want telkens wanneer wetenschappers een toename in
lichaamsgrootte constateerden bij een bepaalde diergroep, of het
nu gewervelde dieren betrof of ongewervelde, op het land of in
de zee, koudbloedig of warmbloedig, elke keer kon men triomfantelijk
uitroepen: kijk, de Regel van Cope, algemeen toepasbaar en intuïtief
aantrekkelijk. Zó aantrekkelijk, dat niemand de moeite
nam hem eens grondig te onderzoeken.
En dat is
een vergissing geweest, zo bleek afgelopen week uit een artikel
in het tijdschrift Nature. Hierin beschrijft de paleontoloog David
Jablonski van de Universiteit van Chicago een uitgebreide analyse
die hij deed aan de lichaamsgrootte van weekdieren aan het eind
van het Krijt-tijdperk. Hij maakte gebruik van de afzettingen
langs de oostkust van de Verenigde Staten, die bijzonder rijk
zijn aan fossielen van zeedieren en waar bovendien de ouderdom
van de verschillende lagen goed bekend is.
Jablonski
bestudeerde meer dan duizend fossiele soorten schelpen en slakken,
behorend tot bijna tweehonderd 'geslachten' en afkomstig uit een
periode van ongeveer zestien miljoen jaar. Vervolgens mat hij
de gemiddelde lengte en breedte van iedere soort, zowel aan het
begin als aan het eind van de periode.
En inderdaad,
ruim een kwart van de geslachten bleek zich aan de Regel van Cope
te houden: gemiddeld waren de soorten groter geworden. Maar tegelijkertijd
waren evenveel geslachten juist gekrompen. En de resterende slakken
en schelpen bleken na zestien miljoen jaar nog ongeveer even groot
of klein als ze waren.
Volgens Jablonski
geven zijn gegevens aan dat de evolutie, in tegenstelling tot
wat iedereen altijd dacht, helemaal geen voorliefde heeft voor
grotere dieren. Akkoord, er zijn wat geslachten die in de loop
der tijd groter worden, maar er zijn er net zoveel die het tegenovergestelde
laten zien, of die gewoon helemaal niet veranderen.
'Een psychologisch
artefact', noemt de bekende bioloog Stephen Jay Gould de regel
in een begeleidend commentaar. Volgens Gould zijn mensen (incluis
wetenschappers) nu eenmaal bijzonder geïntrigeerd door het
extreme. 'We hebben altijd onbewust die diergroepen geselecteerd
die groei vertonen, omdat we allemaal weten: bigger is better'.
Daarbij is dus altijd de saaie middenmoot, die geen groei vertoont,
genegeerd, evenals het andere extreem, het krimpende dier.
Exit Cope's
Rule dus. En dat in het jaar waarin de honderdste sterfdag van
zijn geestelijke vader valt. Hoewel, voor Jablonski is het natuurlijk
wel prettig dat Cope niet meer leeft, want de Encyclopedia of
Evolution heeft nog een ander feitje te melden over hem: 'Wetenschappelijke
disputen beslechtte hij bij voorkeur met zijn vuisten.'
|