|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Krachtig
dier is genetische kneus
Een nietig
virus is in staat een hele groep jachtluipaarden te doden. Oorzaak:
weinig variatie in de genen van de cheeta's. Een promovendus bracht
de genenzwakte in kaart, want dit gebrek kan fnuikend zijn bij
het fokken van bedreigde soorten.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant, 3 oktober 1998.)
Wie op een
doezelige zondagmiddag even kanaalzwemt langs de vijftig zenders
die de gemiddelde televisie tegenwoordig rijk is, komt hem geheid
tegen: het jachtluipaard. Meestal is hij druk doende een Thomson-gazelle
te achtervolgen, in de rug te grijpen en tegen de grond te worstelen.
Want cheeta's zijn het meest geliefde onderwerp van natuurfilmers.
Die kracht, die souplesse, die belichaming van het recht van de
sterkste.
Kracht en
souplesse misschien, maar al meer dan tien jaar weten biologen
dat de cheeta genetisch gezien een kneusje is. In de dierentuin
van Oregon heerste in 1982 en 1983 een epidemie van het FIP-virus,
een bekende kattenziekte. De jachtluipaarden hadden het flink
te pakken: stuk voor stuk bezweken ze allemaal onder het virus.
Twintig dieren legden het loodje.
Dat is vreemd,
vonden dierenartsen, want meestal houdt de ziekte niet zo massaal
huis. Dus begon er een onderzoek naar de erfelijke eigenschappen
van cheeta's. Al spoedig bleek dat de jachtluipaarden vrijwel
geen genetische variatie vertoonden.
De onderzoeker
S. O'Brien onderzocht 52 genen en ontdekte dat cheeta's, zowel
in dierentuinen als in het wild, genetisch zo goed als kopieën
van elkaar zijn. Ook genen die belangrijk zijn bij het immuunsysteem,
bleken identiek, en dat was er vermoedelijk de oorzaak van geweest
dat niet één of twee, maar alle cheeta's in Oregon
bezweken aan de ziekte.
'Ik geef
dit voorbeeld altijd om te laten zien hoe belangrijk genetische
variatie is voor bedreigde diersoorten', zegt bioloog Frank Princée,
die vrijdag promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Cheeta's
zijn waarschijnlijk in het verleden ooit bijna uitgestorven, met
als gevolg dat de hedendaagse populatie bestaat uit nauw verwante
dieren. Daardoor is de genetische diversiteit zo klein.'
Princée
is geen vreemde in de wereld van de dierentuinen. Nadat hij een
afstudeerproject had gedaan in Diergaarde Blijdorp, richtte hij
in 1984 het bedrijfje Zooresearch Consultants op, dat dierentuinen
adviseerde over fokprogramma's. In die tijd schreef hij een computerprogramma
dat tegenwoordig als standaard geldt bij het opzetten van fokprogramma's
voor bedreigde diersoorten in Europa. Sinds 1988 werkt Princée
bij de Stichting Nationaal Onderzoek Dierentuinen.
In dierentuinen
staan dieren bloot aan veel meer ziektekiemen dan in hun natuurlijke
milieu, legt de bioloog uit. Maar ook in de natuur is genetische
variatie van levensbelang, want die betekent dat een populatie
zich snel kan aanpassen aan veranderende omstandigheden. Het is
dus iets waar zowel dierentuinen als natuurbeschermers graag meer
over willen weten, zeker nu honderden dierentuindieren deelnemen
in fokprogramma's die tot doel hebben hun genetische variatie
te waarborgen. Maar hoe meet je genetische variatie?
Princée:
'Mensen zeggen vaak: "Dan neem je toch wat bloedmonstertjes".'
Maar uit eigen ervaring weet de geneticus dat dit niet altijd
even eenvoudig is. In Uganda zag hij hoe werd geprobeerd bloed
af te tappen van impalabokken. Maar zodra een mannetje begon te
wankelen, moest het uit alle macht worden beschermd tegen andere
mannetjes die het weerloze dier probeerden af te maken. Princée:
'Voor hen is iedere concurrent minder, mooi meegenomen.'
Vanwege de
praktijkproblemen gebruiken onderzoekers vaak computermodellen
als surrogaat voor werkelijke genetische variatie. Het zijn modellen
die voorspellen wat er gebeurt wanneer populaties kleiner worden,
worden opgesplitst of wanneer, zoals in dierentuinen, fokprogramma's
worden gehanteerd. Maar hoe goed zijn zulke computerprogramma's?
Om dit na
te gaan schreef Princée geavanceerde software waarin de
werkelijkheid beter werd nagebootst dan tot nu toe het geval was
geweest. In zijn programma's imiteerde de onderzoeker hoe genen
op chromosomen zijn verspreid en hoe ze tijdens de voortplanting
worden uitgewisseld.
Ook bouwde
hij gegevens over de sociale structuur in. Vaak wordt de voortplanting
in een groep beheerst door een dominant mannetje, dat de vader
is van de meerderheid van de kinderen. In deze situatie gaat de
genetische variatie sneller achteruit dan wanneer alle mannetjes
gelijke voortplantingskansen zouden hebben.
Princée:
'Het blijkt dat de genetische variatie soms een stuk lager kan
uitvallen dan gedacht. Men schat bijvoorbeeld dat alle kleine
panda's in dierentuinen samen zo'n 95 procent van de genetische
diversiteit herbergen. Maar mijn simulaties tonen aan dat dit
best eens rond de 90 procent zou kunnen liggen. En dat percentage
wordt aangehouden als absoluut minimum om de soort in zijn natuurlijke
vorm te bewaren.'
Princée
adviseert, de groepen in dierentuinen niet te groot te maken.
Ze kunnen beter worden opgesplitst in kleinere eenheden, vindt
hij, om te voorkomen dat te veel dieren één mannetje
als vader hebben.
Ook over
natuurlijke populaties kunnen zijn berekeningen voorspellingen
doen. Het blijkt nodig om bij natuurbeheer uit te gaan van grotere
populaties dan strikt noodzakelijk, omdat de genetische variatie
door toevalsfluctuaties soms flink kan tegenvallen. Over mooi
bedachte herintroducties, zoals die van de wolf in Nederland,
is Princée dan ook sceptisch. De Veluwe is veel te klein
om de wolf genetisch gezond te houden, vindt hij.
|