|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Een zakpijp
kan rare zeeëgeltjes baren
De Britse
zeebioloog Donald Williamson denkt een heel nieuw soort evolutie
op het spoor te zijn. Volgens hem wordt af en toe DNA uitgewisseld
tussen zeer verschillende diersoorten. Vakgenoten zijn sceptisch,
maar inmiddels hebben zakpijpen kinderen van zeeëgels gekregen.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant.)
Op het moment
dat u dit leest, hangt er waarschijnlijk op liet eiland Man een
zeeëgel ondersteboven boven een potje. De bedoeling is dat
het beest zijn sperma loost. Is dat na een half uur nog niet gelukt
dan moet het een beetje gestimuleerd worden. De 74-jarige bioloog
Donald Williamson druppelt er dan wat zoet water op. En als hij
echt niet wil meewerken, krijgt de zeeëgel een injectie met
kaliumchloride.
Williamson
is planktoloog aan de Universiteit van Liverpool en al bijna vijftig
jaar werkt hij op het zeelaboratorium op Man. Hoewel hij eigenlijk
al negen jaar pensioen heeft, is hij nog wekelijks op het lab
te vinden. Williamson heeft namelijk een theorie.
Zo'n acht
jaar geleden kreeg ik een brief van hem', vertelt de Amerikaanse
biologe Lynn Margulis. Hij bleek een aantal goed ontwikkelde,
nieuwe ideeën te hebben over evolutie.'
Williamsons theorie ontstond uit een college dat hij jaarlijks
gaf aan zijn studenten. Het ging over het merkwaardige verschijnsel
dat veel verschillende soorten zeeorganismen hetzelfde type larve
hebben. Zo hebben wolkrabben een larfje dat sterk lijkt op dat
van heremietkreeften, terwijl beide groepen niet nauw verwant
zijn.
Verder zijn
er dieren waarvan de larve in niets lijkt op het volwassen dier
dat eruit ontstaat. De zeester Luidia sarsi bijvoorbeeld. Uit
het ei van deze soort kruipt eerst een zwemmend larfje, dat er
uitziet als een wormpje. Binnenin ontwikkelt zich een minuscuul
zeesterretje, dat zich later losmaakt, laat vallen en wegkruipt.
'Je kunt dan de situatie hebben dat het larfje nog maanden in
het aquarium rondzwemt, terwijl de jonge zeester, hetzelfde individu
dus eigenlijk, eronder op het zand kruipt', zegt Williamson met
een trilling in zijn stem.
Altijd hadden
biologen zich in bochten gewrongen om zulke paradoxen te verklaren.
Zo ook Williamson in zijn colleges: 'Net als iedereen perste ik
die merkwaardige larven in een conventioneel beeld over evolutie.
Ik zei bijvoorbeeld dat de larven van heremietkreeften en wolkrabben
weliswaar op elkaar leken, maar waarschijnlijk toch onafhankelijk
van elkaar waren geëvolueerd. En die bizarre ontwikkeling
van de Luidia zou ook wel een soort aanpassing zijn.'
Tot Williamson
in 1983 zijn college totaal herschreef. Zijn studenten van dat
jaar stond iets opmerkelijks te wachten. Zij werden de eersten
die de theorie van 'larventransport' te horen kregen.
Kortweg komt
Williamsons idee op het volgende neer. In zee zweven eitjes en
sperma van allerlei diersoorten door elkaar heen. Zo kan het af
en toe gebeuren dat het eitje van bijvoorbeeld een eikelworm wordt
bevrucht met het sperma van een zeester. Of een eitje van een
wolkrab met heremietkreeftezaad.
Meestal is
zo'n bastaard natuurlijk ten dode opgeschreven. Maar een enkele
keer gaat het goed. Wanneer zo'n mengvorm dan terugkruist met
een van de oudersoorten, zou (nog steeds volgens Williamson) DNA
van de ene soort worden opgenomen in de chromosomen van de andere.
Op die manier kan een zeester genen bezitten die eigenlijk thuishoren
in eikelwormen, bijvoorbeeld genen die coderen voor de vorm van
de larve. Ziedaar: het larventransport.
Williamson:
larventransport is niet-Darwiniaanse evolutie. Darwin dacht dat
soorten alleen maar gelijkmatig, beetje bij beetje evolueren door
natuurlijke selectie. Maar bij larventransport wordt genetische
informatie in haar geheel getransplanteerd van de ene soort naar
de andere.
'Neem nou
de Luidia: ik daag iedereen uit om dat op Darwinistische wijze
te verklaren. Volgens mij is daar gewoon een eikelworm-larve vóór
de normale zeesterontwikkeling geplakt. En op dezelfde manier
hebben wolkrabben hun larfjes van heremietkreeften gekregen.'
In het komende
nummer van het in Leiden uitgegeven tijdschrift Crustaceana staat
een artikel van zijn hand over larventransport bij krabben en
kreeften. Toch had Williamson in het begin moeite zijn ideeën
gepubliceerd te krijgen. Zijn eerste artikel over het onderwerp
zwierf langs zeven redacties van wetenschappelijke tijdschriften
tot het uiteindelijk werd geaccepteerd door Progress in Oceanography.
Pogingen om terecht te komen in minder obscure tijdschriften liepen
dood, zelfs na bemoeienis van Margulis.
Maar Williamson
was vasthoudend. Met de hulp van Margulis vond hij een uitgever,
Chapman & Hall, die bereid was zijn theorie te publiceren.
Het boek Larvae and Evolution, Towards a new Zoology verscheen
vier jaar geleden. Het bevatte een verrassing: op het voorblad
prijkte een foto van een spoetnik-achtig larfje. Het bijschrift:
'Een hybride larve, dertig dagen oud, ontwikkeld uit een zakpijpeëi,
dat werd bevrucht met zeeëgelsperma.'
Margulis:
'Een aantal biologen werd hier volkomen hysterisch van. Williamson
had, om zijn theorie kracht bij te zetten, kruisingen tot stand
gebracht tussen twee volledig verschillende diergroepen.'
De kruisingen
die in het boek worden beschreven, leverden twee soorten nakomelingen
op. Uit zo'n drieduizend zakpijpeëitjes kropen zeeëgellarfjes,
maar driekwart daarvan was misvormd: één of meer
sprieten van de spoetnik ontbraken of verdwenen na verloop van
tijd. Een viertal larfjes ontwikkelde zich verder tot kleine,
zij het wat misvormde zeeëgeltjes.
Een paar
honderd spoetnikjes deden iets anders: ze bleven doorzwemmen zonder
zich te ontwikkelen tot zeeëgels. In plaats daarvan verdwenen
hun sprieten en veranderden ze in kleine bolletjes die zich vasthechtten
op het glas van het aquarium. Williamson schrijft in zijn boek
dat deze sferoïden niet bekend zijn uit de ontwikkeling van
zeeëgels, noch
uit die van zakpijpen. 'Het zijn volkomen nieuwe wezentjes, die
jammer genoeg na verloop van tijd allemaal stierven.'
Ondanks dit
succes lukte het niet iedereen te overtuigen. Williamson: 'De
redacteuren van Nature en Science dachten dat ik mijn kweken door
elkaar had gehaald. Ze wilden fotografisch bewijs van zeeëgellarven
die daadwerkelijk uit zakpijpeëieren kruipen'. Dus toog Williamson
in 1990 aan het werk om een nieuwe serie kruisingen te beginnen.
Maar bij
het verzamelen van zeeëgels aan de kust gleed hij uit en
kwam met zijn hoofd op een rots terecht. Hij kreeg een beroerte
en sindsdien is hij gedeeltelijk verlamd. Inmiddels is hij weer
zover gerevalideerd dat hij zijn experimenten deze winter kon
voortzetten.
'Verschillende
genetici, onder andere in Vancouver en Plymouth, hebben aangeboden
mijn larfjes te onderzoeken met DNA-technieken, om te zien of
het inderdaad hybriden zijn. Zelf heb ik daar de mogelijkheden
niet voor.'
'Dat is inderdaad
iets dat zeker moet gebeuren', beaamt Rolf Hoekstra, hoogleraar
evolutiebiologie aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. 'Om te
beginnen zou je het mitochondriaal DNA kunnen onderzoeken. Mitochondriën
komen altijd van de moeder en het mitochondriaal DNA zou dus moeten
lijken op het dier dat de eitjes leverde, in dit geval de zakpijp.'
Hij acht
het niet op voorhand onmogelijk dat kruising tussen twee zo verschillende
dieren levende nakomelingen oplevert. 'Je kunt ook hybriden maken
tussen tomaat en aardappel. Die vertonen een mengsel van kenmerken.
Opvallend is dat bij zo'n hybride na verloop van tijd chromosomen
van een van de ouders eruit worden geknikkerd. Iets dergelijks
zou ook bij larventransport gebeurd kunnen zijn: de meeste genen
van een van de ouders verdwijnen, en alleen die genen voor larvale
ontwikkeling blijven over.
In principe
sta ik altijd sympathiek tegenover dit soort loonies', geeft Hoekstra
toe. 'In negen van de tien gevallen is het niks, maar de wetenschap
is er nooit slechter op geworden. Uiteindelijk vallen ze toch
wel door de mand.' En als Williamson nu die ene blijkt te zijn
die het wel bij het rechte eind heeft? 'Dat zou prachtig zijn.
Als hij echt gelijk heeft, zou dat grote consequenties kunnen
hebben voor hoe wij tegen evolutie aankijken.'
Fred Schram,
hoogleraar Bijzondere Dierkunde aan de Universiteit van Amsterdam,
was indertijd, toen hij nog in Los Angeles werkte, een van de
adviseurs van de uitgever die Williamsons boek publiceerde. Toch
is Schram geen volgeling. 'Ikvind niet dat theorieën er zijn
om in te geloven. Theorieën zijn er om informatie te organiseren.
En met Williamsons theorie is het net zo. Het is een nieuwe manier
om tegenstrijdige gegevens met elkaar in overeenstemming te brengen,
en in dat opzicht moet hij de kans krijgen zijn stem te laten
horen.'
Schram is
het trouwens niet op alle punten met Williamson eens. 'Met zijn
idee over wolkrabben en heremietkreeften zit hij er volgens mij
faliekant naast. Het is goed mogelijk dat wolkrabben zijn ontstaan
uit heremietkreeft-achtige voorouders. Dat ze hetzelfde soort
larve hebben zou dus net zo goed kunnen komen doordat ze het van
dezelfde voorouders hebben geërfd. Zoiets geldt voor zijn
idee dat de larven van zeesterren en verwanten afkomstig zijn
van eikelwormen.'
Net als Hoekstra
is Schram vooral gecharmeerd van Williamsons kruisingsproeven.
'Daar heeft hij volgens mij echt iets interessants te pakken.
Bepaalde genen die de ontwikkeling van de larve van ongewervelde
dieren sturen, zijn al bekend. Het zou spannend zijn uit te vinden
welke genen verantwoordelijk zijn voor de vorm van zijn hybride
larfjes.' Naar het zich laat aanzien, zullen er dus nog heel wal
zeeëgcls op hun kop boven een potje moeten hangen.
|