|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Nieuwe
fossielen maken oude minder bizar
Sinds Stephen
Jay Gould de PR voor het Cambrium verzorgt, is het tijdperk bijna
net zo beroemd als dat van de dinosauriërs. Maar uit nieuwe
fossielen blijkt dat de dieren uit de Cambrische Explosie minder
bizar zijn dan gedacht. En een explosie was het misschien ook
al niet.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant.)
Een kwal
met een gat in het midden heeft nooit bestaan. Toch was dat wat
paleontoloog Charles Walcott gevonden dacht te hebben. Het was
een van de zestigduizend fossielen die hij tussen 1909 en 1917
verzamelde in de Rocky Mountains in Canada. Andere vondsten waren
vormloze platen, die hij interpreteerde als de resten van sponzen,
en iets dat leek op het achterlijf van een garnaal.
Pas zeventig
jaar later werd duidelijk wat Walcott werkelijk gevonden had.
De geperforeerde kwal, de koploze garnaal en de spons bleken puzzelstukjes
waaruit een Brits team van wetenschappers een voordien onbekend
wezen samenstelde: Anomalocaris, een groot roofdier dat
de zeeën van het Cambrium doorkruiste, zo'n half miljard
jaar geleden.
De Burgess
Shale--zo noemde Walcott zijn vindplaats--staat bekend als een
van de belangrijkste Cambrische afzettingen. Belangrijk, omdat
de fossielen puntgaaf zijn. De laag is waarschijnlijk ontstaan
toen modderbanken verschoven en in één keer de fauna
van een stukje zeebodem bedolven.
De zuurstofarme
omgeving waarin de dieren werden opgesloten, voorkwam verrotting,
waardoor de Burgess-fossielen na honderden miljoenen jaren nog
al hun intieme delen tonen. Wormen fossiliseren normaal zelden,
maar van Ottoia, een soort die in zandbodems leefde, zijn
alle details bewaard gebleven. Bij andere diertjes is zelfs te
zien wat hun laatste maaltijd was.
Ondanks het
feit dat ze al meer dan tachtig jaar bekend zijn, zijn de Burgess-fossielen
pas de laatste jaren prominent gaan figureren in de paleontologie.
Walcott had namelijk de neiging zijn vondsten onder te brengen
in hedendaagse diergroepen, ook wanneer die--zoals bij de kwal
met het gat--duidelijk ontoereikend waren.
Hij publiceerde
een reeks van artikelen waarin hij zijn vondsten braaf rangschikte
in de bekende categorieën: kreeftachtigen, gelede wormen
en zeekomkommers. Na Walcotts dood lag de collectie decennia lang
onaangeroerd in de laden van de Smithsonian Institution in Washington.
Niemand kon
weten dat achter de conventionele benamingen een wonderlijke wereld
schuilging. Tot, in de jaren zeventig, drie paleontologen van
de universiteit van Cambridge een onthullende herbestudering begonnen.
De Britse
onderzoekers vielen van de ene verbazing in de andere. Want in
plaats van de garnalen, kwallen en sponzen die Walcott had herkend,
bleek een groot deel van de organismen onclassificeerbaar. Gebruikmakend
van nieuwe prepareertechnieken. ontdekten ze unieke vormen en
organen in het Burgessmateriaal.
Opabinia
bijvoorbeeld, door Walcott bestempeld als een kreeftje, bleek
bij nadere bestudering vijf ogen te bezitten. Verder had het dier
een soort stofzuigersnuit. Kenmerken die nergens anders in het
dierenrijk terug te vinden zijn. Ook Anomalocaris met zijn
cirkelvormige mond (Walcotts kwal) was nergens te plaatsen.
Maar de kroon
spande een klein diertje waarvan Walcott dacht dat het een worm
was. De Britten reconstrueerden het slangachtige beestje met zijn
aardappelvormige kop, schuifelend op zeven paar stijve stelten
en met een reeks schoorsteentjes op zijn rug. Het kreeg de toepasselijke
naam Hallucigenia.
Wereldfaarn
kreeg het Cambridge-onderzoek pas in 1989, toen de Amerikaanse
publicist-paleontoloog Stephen Jay Gould er zijn boek Wonderful
Life (Wonderlijk leven) aan wijdde. Volgens Gould zat
het zo: het vroege Cambrium kende een explosieve uitwaaiering
van levensvormen. Afzettingen van direct ervoor (het Precambrium)
zijn namelijk vrijwel leeg, terwijl die van slechts tien miljoen
jaar later vol zitten met fossielen van allerlei beesten. Weekdieren,
wormen, trilobieten, alle bekende diergroepen moesten dus zijn
ontstaan in die relatief korte periode.
De Burgess-fauna
toont aan dat er bovendien nog talloze oddballs rondhingen, zoals
de genoemde Opabinia, Anomalocaris en Hallucigenia,
dieren die in de huidige wereld geen nakomelingen hebben. Blijkbaar,
aldus Gould, onstond er door een bijzonder soort evolutie een
ruim assortiment bouwtekeningen. waarvan in de rest van de aardgeschiedenis
maar een handjevol werd gebruikt.
Prof. dr
Derek Briggs, een van de leden van de Cambridge-groep en nu hoogleraar
aan de universiteit van Bristol, heeft zo zijn twijfels over Goulds
visie. 'Ik denk dat Gould de zaken heeft overdreven. Hij heeft
zich, net als de rest van de wetenschappelijke gemeenschap, laten
meeslepen door de bijna buitenaardse indruk die veel Burgess-dieren
in eerste instantie maakten. Maar stel je eens voor dat je van
een andere planeet komt en voor het eerst een olifant ziet. Of
een kangoeroe; zo'n beest verzin je ook niet.'
Briggs, die
vorige week sprak op de jubileumdag van de Koninklijke Nederlandse
Botanische Vereniging, heeft een paar jaar geleden geprobeerd
de Cambrische vormenrijkdom daadwerkelijk te meten. Hij nam 25
geleedpotigen van de Burgess Shale en daarnaast vertegenwoordigers
van de 21 recente groepen van geleedpotigen (onder meer kreeften,
duizendpoten en insekten).
Van allemaal
noteerde hij 134 kenmerken en vervolgens deed hij een statistische
analyse om de vormverschillen meetbaar te maken. Uit de resultaten,
die werden gepubliceerd in Science, bleek dat de Cambrische vormenrijkdom
niet groter was dan die van vandaag. Briggs: 'Het was Goulds idee
om wat hij 'vormruimte' noemde, te kwantificeren. Maar of hij
erg blij is met het resultaat, weet ik niet.'
Een van de
grote verdiensten van Goulds boek, zegt Briggs, is de enorme vlucht
die ons soort paleontologie genomen heeft. Overal ter wereld wordt
nu gezocht naar andere 'Burgess Shales', en met succes. In China.
Australië en op Groenland doen onderzoeksteams soortgelijke
ontdekkingen. Vooral de Chinese vindplaats bij Chengjiang levert
opwindende vondsten. Daar is laatst een complete Anomalocaris
van twee meter lang gevonden! Wij kenden ze maar tot zeventig
centimeter, en meestal in stukjes.'
Gould beschouwde
Anomalocaris als een van de vreemdste oddballs van de Burgess
Shale. Is dat beeld ook aan het veranderen? Briggs: 'Eigenlijk
wel. Alles wijst erop dat dit dier een primitieve geleedpotige
was. Een grote en gekke, dat wel, maar niettemin een geleedpotige.
En dat geldt voor meer van de Burgess-dieren waar we in eerste
instantie geen raad mee wisten.
'We hebben
vorig jaar een nieuw boek uitgebracht over de Burgess Shate-fossielen,
en daarin is het aantal "problematische gevallen" verreweg
in de minderheid. Voor een deel is dat te danken aan het onderzoek
in China en Groenland, dat een hoop extra gegevens heeft opgeleverd.'
De nieuwe
vindplaatsen hebben ook het raadsel van Hallucigenia helpen
oplossen. 'Bij Chengjiang is een hele reeks Hallucigenia-achtige
beestjes opgedoken. De stelten van de Burgess-soort waren bij
sommige van de Chinese typen vervangen door korte staafjes of
plaatjes. Gewoon rugbescherming dus.
'De schoorsteentjes
waren eigenlijk twee rijen pootjes en de aardappelkop bleek bij
nader inzien niets meer dan een uitvloeiing aan de anus van het
beest. We hadden hem dus zowel ondersteboven als achterstevoren
gereconstrueerd. In de juiste oriëntatie onderscheidt niets
hem nog van de fluweelwormen, een groep die nu nog leeft in het
tropisch regenwoud.'
Briggs, van
huis uit geoloog, houdt zich de laatste jaren ook veel bezig met
wat hij noemt 'zelf fossielen maken'. In zijn laboratorium liggen
garnalen in bakjes zeewater langzaam te vergaan. 'Ik voorzie voor
de komende jaren een groeiende belangstelling voor fossielen waarin
weke delen bewaard zijn gebleven à la Burgess. Zulk materiaal
vertelt ons veel meer over de dieren en hun evolutie dan de standaard
schelp-, schaal- en botfossielen. En om te begrijpen hoe zulke
fossielen gevormd worden, moet je het proces in het lab nabootsen.
'Door dit
soort werk krijgen we een veel beter beeld van het soort omstandigheden
dat nodig is voor fossilisatie van zacht weefsel. Op die manier
kunnen we voorspellen waar we moeten gaan zoeken.' En dat, zo
denkt Briggs, is van belang bij het begrijpen van de Cambrische
explosie. 'Iedereen zegt wel dat al deze dieren er in het Precambrium
nog niet waren, maar eerlijk gezegd heeft niemand nog echt goed
gezocht. Misschien moet de Burgess Shale van het Precambrium nog
gevonden worden.'
|