© Copyright Menno Schilthuizen

Biologische systematici moeten sneller gaan werken

Het grote uitsterven is begonnen. Ongemerkt verdwijnen ieder jaar tienduizenden soorten planten en dieren. Europese biologen beraamden deze week in Leiden hun race tegen de klok: de Systematics Agenda 2000.

MENNO SCHILTHUIZEN

(Oorspronkelijk verschenen in Mare, 18 mei 1995.)

Het was de bedoeling dat het congres afgelopen zondag zou worden geopend door de rector magnificus. Helaas, zo werd meegedeeld, de rector was afwezig, maar werd momenteel opgespoord 'somewhere in central Leiden'. Twee uur later verscheen professor Leertouwer alsnog en kon het congres 'Systematics Agenda 2000--The Challenge for Europe' officieel worden geopend. Uiteraard begon Leertouwer zijn toespraak met een verontschuldiging: hij was het gewoon vergeten.

Het voorval lijkt symptomatisch voor de onderwaardering die de biologische systematiek geniet. De beoefenaars van dit vakgebied houden zich bezig met biodiversiteit; ze beschrijven en classificeren planten- en diersoorten. Ook proberen systematici te begrijpen hoe soorten in de loop van de evolutie zijn ontstaan, waar ze vóórkomen en wat hun ecologische rollen zijn. Het vak vormt één van de pilaren waarop de rest van de biologie steunt. Vergelijkbaar dus met het beschrijven en classificeren van hemellichamen of elementaire deeltjes.

Toch geniet systematiek niet hetzelfde aanzien en de bijbehorende geldstroom als bijvoorbeeld astrofysica. Dat is een doorn in het oog van professor Bob May, ooit begonnen als Australisch fysicus en nu hoogleraar zoölogie in Oxford. 'Een groteske discrepantie' noemt hij het, 'die merkwaardige obsessie met het allerkleinste en het allergrootste, die ons de vormenrijkdom om ons heen doet veronachtzamen.'

May, door Nature getipt als de volgende topadviseur van de Britse regering en keynote speaker op het Leidse congres, windt er geen doekjes om. De zesde grote uitstervingsgolf uit de aardgeschiedenis staat voor de deur. Hij laat de bekende cijfers maar weer eens de revue passeren. Per jaar verdwijnen naar schatting dertigduizend soorten organismen. Het aantal bekende planten- en diersoorten bedraagt momenteel ongeveer anderhalf miljoen. De meeste daarvan kennen we slechts als één of enkele museumexemplaren. Het werkelijke aantal soorten is waarschijnlijk minstens een factor tien groter, volgens sommigen zelfs een factor twintig.

Onthutsende getallen, zeker wanneer men bedenkt dat systematici, beginnend bij Linnaeus' achttiende-eeuwse pionierswerk, al 250 jaar bezig zijn. Een simpele rekensom leert dat het huidige tempo van voortgang in de systematiek veel te traag is. Magere Hein wint het van Prikkebeen.
Maar is alles dan verloren? May denkt van niet. Maar de systematici moeten zich wel herorganiseren. 'Als de systematiek een bedrijf was, zou het allang failliet zijn gegaan.' En hij toont een dia waarop per diergroep het aantal onderzoekers staat aangegeven. 'Aan gewervelde dieren werkt ongeveer dertig procent van alle systematici. Eenzelfde percentage houdt zich bezig met de ongewervelde dieren. En dat terwijl er ongeveer honderd keer zoveel ongewervelden zijn als gewervelden. Een idioot scheve verhouding!'

Een 'herverdeling van soortenrijkdom' lijkt de komende jaren dus onontkoombaar. Hoe sneu het ook is voor alle vogelaars, een groep waar per jaar maar drie nieuwe soorten in worden ontdekt heeft lagere prioriteit dan bijvoorbeeld bacteriën, waarvan nog maar een fractie bekend is. Sommige instituten beginnen zich al te schikken naar dit biologisch marxisme. Zo doekte een Canadees natuurhistorisch museum onlangs al zijn onderzoek aan gewervelde dieren op, ten gunste van dat aan de minder bedeelde insekten en wormen. Een andere mogelijkheid voor het opvoeren van de efficiëntie is de elektronische snelweg. Veel musea en onderzoeksinstituten zijn al 'on-line', zodat gegevens uit hun collecties snel te raadplegen zijn, maar standaardisatie van de databases is nog ver te zoeken. Bovendien ontbreekt vaak informatie over habitat, zeldzaamheid en verspreiding van de betreffende organismen, en dat is juist wat gebruikers van de databases (zoals natuurbeschermers) willen weten.

Tot slot heeft May een advies dat voor de nauwgezette wetenschappers in de zaal pijnlijk moet zijn geweest: systematisch onderzoek moet vluchtiger, grover en minder tijdrovend worden. De tijd ontbreekt eenvoudig om hoogopgeleide onderzoekers jaren te laten werken aan een familie van tien soorten. Lageropgeleide 'sorteerders' moeten worden ingeschakeld om snel grote hoeveelheden materiaal te rangschikken. Een vergelijking met het Human Genome Project dringt zich op. Ook daar worden in hoog tempo onvoorstelbare hoeveelheden gegevens routinematig verwerkt en geanalyseerd. Maar voor biodiversiteit is nu eenmaal minder geld beschikbaar dan voor DNA.

Daar moet verandering in komen. De systematici willen een wereldwijde extra investering van drie miljard dollar per jaar om uit hun wetenschappelijke recessie te geraken. Op kleine schaal begint dat nu ook te gebeuren. Zo heeft Groot-Brittannië een paar jaar geleden het Darwin Initiative gestart, een onderzoeks- en opleidingsprogramma gericht op de biodiversiteit van ontwikkelingslanden. Een initiatief dat, zo vinden de congresgangers, ook in andere Europese landen navolging zou moeten krijgen.

   
Copyright©2004 Schilthuizen.org