|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Op naar
de 2000 cc
Homo sapiens
evolueert niet meer; natuurlijke selectie heeft geen vat meer
op ons. Zo denken althans veel mensen erover. Maar de kans is
groot dat de drijvende kracht achter onze evolutie nog steeds
hard aan het werk is. Sterker nog, we zouden wel eens aan de vooravond
van een nieuwe groeistuip kunnen staan.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 7 juni 1996.)
Ik heb er
voor de zekerheid nog eens wat titels op nageslagen, maar het
is echt zo: geen boek over evolutie heeft een hoofdstukje 'Toekomst'.
Niet helemaal verwonderlijk natuurlijk, want de evolutiebiologie
is een historische wetenschap, geen voorspellende. Biologen zijn
erg goed in het uitzoeken hoe de evolutie in het verleden is gelopen,
maar voorspellen hoe het nu verder zal gaan--daar zullen ze zich
niet snel aan wagen.
Kosmologen
hebben het wat dat betreft makkelijker. Ze hoeven maar de Hubble-constante
te berekenen en ze kunnen voorspellen of het heelal uiteindelijk
zal blijven groeien, tot stilstand zal komen of zal imploderen.
Een bioloog die zich voor een vergelijkbaar probleem geplaatst
ziet ('zal eigenschap x van diersoort y in de toekomst groter
worden, constant blijven of kleiner worden?') zal meestal het
antwoord schuldig moeten blijven. In het beste geval mompelt hij
iets over de complexiteit van natuurlijke situaties, interacties
tussen ontelbare variabelen en toevalsprocessen.
Toch bestaan
er biologen die in een dergelijke situatie niet met hun mond vol
tanden hebben gestaan. Als je namelijk àlle variabelen
kent die van invloed zijn op de evolutie van een soort, zijn voorspellingen
wel degelijk mogelijk. Een bekend voorbeeld vormt het onderzoek
van het echtpaar Grant aan darwinvinken op de Galapagos-eilanden.
De Grants waren dankzij twintig jaar veldwerk zó goed op
de hoogte van de wisselwerking tussen voedsel, vink en klimaat,
dat ze bij periodes van extreme weersomstandigheden precies konden
voorspellen in welke richting de populatie in de volgende generatie
geëvolueerd zou zijn. Hun verwachtingen kwamen exact uit.
Maar goed,
dat is één generatie. Moeilijker wordt het wanneer
voorspellingen zich moeten uitstrekken over duizenden jaren, laat
staan miljoenen, de tijdschaal waarop de meer spectaculaire effecten
van evolutie zich afspelen. Je moet wel heel sterk in je schoenen
staan wil je daar iets zinnigs over durven zeggen.
Eén
manier om een dergelijk probleem het hoofd te bieden is je te
beperken tot een diersoort die biologisch heel goed bekend is.
Een diersoort waarvoor nauwkeurige gegevens bestaan over genetica,
aantallen, verspreiding, gedrag en ecologie. Gelukkig is er zo'n
diersoort: Homo sapiens.
Nu zullen
er mensen zijn die tegenwerpen dat over onze toekomst zo goed
als niets vaststaat. Hoe wetenschap en techniek zich ontwikkelen,
welke effecten de bevolkingsgroei zal hebben, of er ooit een kernoorlog
uitbreekt--het is allemaal ongewis. Het is denkbaar dat er catastrofes
plaatsvinden die de beschaving duizenden jaren terugwerpen.
De kans dat
daarbij de menselijke soort compleet verdwijnt, is echter erg
klein. Op een evolutionaire tijdas hoeft zo'n ramp zelfs niet
meer dan een rimpeling te zijn. Laten we er daarom vanuit gaan
dat de mens, zoals de meeste zoogdieren tot nu toe, een levensduur
van zeker enkele miljoenen jaren heeft.
De paleontoloog
George Gaylord Simpson heeft ooit gezegd: 'Evolutie beweegt zich
niet rechtlijnig, maar het brein van sommige wetenschappers wel.'
Simpsons uitspraakwas een aanval op het orthogenese-denken, dat
stelde dat evolutie de uiting is van een soort inwendig streven
naar een hoger doel. Het hogere doel van de menselijke evolutie
was in die gedachtengang de moderne Homo sapiens, en al onze voorouders
waren niets meer dan miserabele treden op die ladder naar ons
toe.
Niets is
minder waar, natuurlijk. Sinds Darwin weten we dat evolutie middels
natuurlijke selectie werkt, en dat proces kan niet vooruit kijken.
Natuurlijke selectie werkt met maar één generatie
tegelijk. Het uiterlijk van de huidige generatie wordt bepaald
door welke mensen zich een generatie terug hebben kunnen voortplanten,
en niet door een doel dat ver in de toekomst ligt.
Bij de darwinvinken
is het niet anders. Tijdens een droge periode is voedsel beperkt
en kunnen grote vinken met stevige snavels meer jongen grootbrengen,
omdat zij zich in leven kunnen houden met de harde zaden die hun
kleinere soortgenoten niet aankunnen. Het gevolg in de daaropvolgende
generatie: relatief veel vinken met grote snavels, afkomstig van
ouders met grote snavels. Dat is geen gevolg van een evolutionair
streven naar grootsnaveligheid, maar van de opportunistische werking
van natuurlijke selectie. Het jaar daarop kan best extreem nat
zijn en dan flipt de evolutie onder invloed van de veranderde
'selectiedruk' weer een andere kant op.
Dat wil niet
zeggen dat evolutie nooit langere tijd een bepaalde richting op
kan gaan. Uit fossielen weten we bijvoorbeeld dat de eerste zeelelies
heel korte tentakels hadden. Latere zeelelies hadden steeds langere
tentakels. De verklaring is dat zeelelies met relatief lange vangarmen
gewoon altijd in het voordeel zijn geweest. Blijkbaar was de variabiliteit
in dit kenmerk gering, terwijl de selectiedruk altijd aanwezig
bleef. Op die manier kon een miljoenen jaren durende trend ontstaan.
Als je dus
een evolutionaire trend ziet, en weet welk soort selectiedruk
ervoor verantwoordelijk is, dan kun je voorspellen of de trend
zich ook in de toekomst zal gaan voortzetten. Zou een dergelijke
truc ook zijn toe te passen op onze eigen soort?
De meest
opvallende trend in onze evolutie is een spectaculaire toename
in herseninhoud. Onze vroege voorouders, rechtop lopende mensapen
van het geslacht Australopithecus, moesten het stellen met hersentjes
van chimpansee-formaat: zo'n 440 kubieke centimeter (cc). Deze
wandelende apen leefden zo'n drie à vier miljoen jaar geleden
in Afrika.
Uit een van
deze missing links ontwikkelde zich een kleine twee miljoen jaar
geleden Homo erectus, met een grijze massa van tegen de duizend
cc. Die verspreidde zich over Afrika, Azië en Europa. Pakweg
tweehonderdduizend jaar geleden ontsproot aan een van de Afrikaanse
populaties een type dat een nog verder opgeblazen schedel had:
Homo sapiens, met hersenen van zo'n anderhalve liter.
Een verdrievoudiging
van hersenvolume in drie miljoen jaar: hoe je het ook wendt of
keert, dat is een trend van jewelste. De verleiding is groot om
die lijn in gedachten nog een paar miljoen jaar door te trekken.
De Engelse evolutiebioloog Richard Dawkins deed dat onlangs in
een artikel in het tijdschrift The Economist. Hij stopte de schedelvormen
van Australopithecus, Homo erectus en Homo sapiens in een computerprogramma
en liet vervolgens uitrekenen hoe die schedel er drie miljoen
jaar na nu zou uitzien. Het resultaat (Dawkins noemt het Homo
futuris) is een soort waterhoofd met een vooruitstekend voorhoofd
en een piepklein onderkaakje.
Zal Homo
futuris ooit op deze aarde rondlopen? Dawkins heeft er weinig
vertrouwen in. Hij merkt terecht op dat natuurlijke selectie op
hersenvolume misschien in de toekomst niet meer zal bestaan.
Dat kan best
zijn, maar om daar iets over te zeggen, moet je eerst weten welke
selectiedruk verantwoordelijk is voor de enorme groei van het
hersenvolume. En daar zijn de meningen over verdeeld. Het lijkt
zo eenvoudig: mensen met grotere hersenen zijn slimmer en slimmere
mensen kunnen beter overleven. Ziedaar in een notedop de verklaring
van de hersentrend. Maar zo eenvoudig is het niet. Want waar zou
die slimheid zich dan in geuit hebben?
Iedereen
die ooit het standbeeld heeft gezien dat de paleontoloog Eugène
Dubois maakte van Homo erectus, zal het antwoord klaar hebben.
Dubois gaf immers zijn aapmens een vuistbijl in zijn hand en een
Aha-Erlebnis in zijn ogen. De boodschap: 'grotere hersenen = beter
in het maken en gebruiken van werktuigen = beter overleven.'
Jammer genoeg
blijken opgravingen deze hypothese niet te ondersteunen. Akkoord,
oppervlakkig lijkt er wel een relatie te bestaan tussen hersenvolume
en technologie: de steentijdmens van vijftienduizend jaar geleden
had een breed assortiment gestroomlijnde speerpunten, harpoenen
en handwerktuigen tot zijn beschikking, terwijl Homo erectus anderhalf
miljoen jaar eerder nog niet verder kwam dan ongeïnspireerde
vuistbijlen. Maar dezelfde ruwe vuistbijlen werden al gehanteerd
door Australopithecus met zijn schamele 440 cc-hersentjes en bléven
in gebruik tot na het ontstaan van de eerste Homo sapiens. De
grootste technologische innovaties vonden dus plaats ruim ná
de evolutie van onze grote hersenen.
Technologie
is het dus niet geweest. Hoe zit het dan met onze eetgewoonten?
Gedurende onze evolutie zijn we van planteneters veranderd in
jagers-verzamelaars. Een levensstijl die planning vereist, communicatie,
oriëntatievermogen en geheugen. Zouden die vaardigheden ons
grotere hersenen hebben gegeven? Critici denken van niet, want
andere alleseters op de Afrikaanse savanne, zoals bijvoorbeeld
bavianen, hebben dezelfde levenswijze en hun hersenen zijn niet
gegroeid.
Evolutionair
denkende menswetenschappers komen steeds meer tot de conclusie
dat het sociale factoren geweest moeten zijn. Zo vond de antropoloog
Robin Dunbar dat hersengrootte bij apen het sterkst gecorreleerd
is met de grootte van de sociale groep waarin ze leven. Hetzelfde
blijkt ook op te gaan voor andere zoogdieren. Blijkbaar zijn grote
hersenen essentieel bij het overleven in een gemeenschap met een
ingewikkelde hiërarchie en sterk variërende sociale
interacties.
De Amerikaanse
psycholoog Geoffrey Miller denkt zelfs dat er maar één
soort sociale interactie van belang is geweest: sex. Volgens hem
is hofmakerij de voornaamste functie van onze schedelinhoud. Die
duizend cc extra aan hersencellen worden voornamelijk aangewend
voor charme. Want zouden we werkelijk zoveel tijd besteden aan
dingen als humor, het produceren en consumeren van muziek, literatuur
en kunst, als het nutteloos tijdverdrijf was? Miller denkt van
niet. Moppentappen, gitaarspelen, graffitispuiten, gedichten voordragen,
liedjes zingen en straattekenen, het is allemaal mensenbalts.
'Balts?'
hoor ik de lezer denken die in gedachten doffers en hanen ziet
pronken, 'maar daar klopt iets niet: dan zouden alleen mannen
grote, creatieve hersenen hebben!' Nou, niet helemaal. Millers
idee (recentelijk gepopulariseerd in The Red Queen, een boekvan
de Engelse bioloog Matt Ridley) is dat het bestaat uit twee delen.
Ten eerste inderdaad wat Miller het 'Dionysos-effect' noemt (of,
voor de niet-classicus: het 'Take That-effect'). Vrouwen vallen
op mannen die mooi kunnen zingen, welbespraakt zijn of kunstzinnig.
Gevoel voor humor, bijvoorbeeld, blijft wereldwijd op nummer één
staan in de top-tien van eigenschappen met sex-appeal.
Maar aan
de andere kant is er wat Miller het 'Scheherezade-effect' noemt,
naar de heldin uit Duizend-en-één Nacht, die met
haar verhalen de sultan aan zich wist te binden om zo haar eigen
leven te redden. Wil een vrouw haar man bij zich houden, dan zal
ze hem moeten blijven boeien met een sprankelende conversatie,
dans, zang en kunst.Alleen dan zal de man monogaam blijven.
De vrouw
heeft haar creativiteit dus even hard nodig, al gebruikt zij die
op een andere manier. In een artikel in New Scientist van een
paar maanden geleden zegt Miller: 'Je ziet dan ook dat mannen
hun artistieke prestaties breed adverteren, terwijl vrouwen zich
beperken tot de huiselijke kring.'
Voorlopig
is de jury nog in beraad over dit soort verklaringen voor onze
evolutie. Maar aantrekkelijk zijn ze wel, dus laten we voor het
gemak eens aannemen dat ze juist zijn. Wat kunnen we dan leren
over onze toekomstperspectieven?
Voor ik nu
begin te orakelen, moet ik de lezer iets bekennen. Ik heb het
tot nu toe namelijk uitsluitend over natuurlijke selectie gehad.
De vinken die grotere of kleinere snaveltjes kregen, bijvoorbeeld,
vertonen een reactie op druk vanuit de omgeving. Als evolutionair-psychologen
zoals Miller gelijk hebben, en onze grote hersenen zijn ontstaan
doordat vrouwen geestige mannen kiezen en mannen geestige vrouwen,
dan is er helemaal geen sprake van natuurlijke selectie maar van
Darwins tweede grote ontdekking: sexuele selectie.
En sexuele
selectie kan heel andere effecten hebben dan natuurlijke selectie.
Schoolvoorbeeld is de staart van de pauw. Wie wel eens een mannetjespauw
heeft zien vliegen kan zich indenken hoe vreselijk lastig zo'n
sleep is. Het ding kan nooit door natuurlijke selectie ontstaan
zijn. Maar wel door sexuele selectie: vrouwtjespauwen vinden de
mannetjes met de grootste staarten veruit het aantrekkelijkst.
Die mannetjes kunnen dus vaker paren, krijgen meer kinderen, en
hun genen (voor langstaartigheid) worden verder doorgegeven.
Zo ontstaat
een sneeuwbaleffect: dwars tegen alle nadelen in zijn pauwestaarten
in de loop van de evolutie almaar langer geworden, doordat vrouwtjes
ze nu eenmaal mooi vonden.
Zijn onze
hersenen ook onderhevig aan een sneeuwbaleffect? Blijven onze
creatieve vermogens almaar groeien als gevolg van het Scheherezade-
en het Dionysos-effect? Het zit er dik in. Zolang vrouwen blijven
kiezen voor de meest interessante, creatieve man zullen genen
voor extra creativiteit in het voordeel zijn. En zolang mannen
eerder geneigd zullen zijn hun kinderen te helpen opvoeden als
de moeder een boeiende persoonlijkheid heeft, zal ook langs die
weg hetzelfde resultaat bereikt worden. Er is dus geen reden aan
te nemen dat onze evolutie haar eindstation al bereikt heeft.
En de komende
eeuwen zouden wel eens cruciaal kunnen worden. Want evolutie werkt
niet alleen via selectie: voor evolutionaire vernieuwing zijn
ook mutaties nodig. Die zijn zeldzaam, maar: hoe meer geboorten,
hoe meer mutaties. De kans dat een bepaalde mutatie optreedt,
hangt dus direct samen met de populatiegrootte. En die is op dit
moment niet kinderachtig. We zijn vandaag de dag met z'n zes miljarden
en dat getal gaat de komende decennia nog stijgen tot zeker tien
miljard, zo denken de meeste demografen. Met andere woorden: de
huidige overbevolking is een ideale kweekvijver voor de mutaties
die in de toekomst bepalend zullen worden voor de verdere evolutie
van onze soort.
Sceptici
zullen zeggen dat er spoedig een punt zal komen waarop een baby
eenvoudig een te grote schedel krijgt om nog geboren te worden.
Het bekken van de vrouw zou dan de beperkende factor worden.
Maar dat
zal de eerste de beste gynaecoloog tegenspreken. Keizersneden
zijn nu al aan de orde van de dag. Snel, routineus, risicoloos.
Smalle bekkens zijn tegenwoordig geen belemmering meer voor onze
evolutie. Sterker nog, het algemeen toepassen van keizersneden
zal de evolutionaire groei van onze schedel zelfs kunnen versnellen.
Dus toch Homo futuris.
|