© Copyright Menno Schilthuizen

Vraag het aan Darwin

De schappen van de boekhandels gaan de laatste jaren gebukt onder een zware vracht evolutie. Het lijkt wel alsof de biologie tegenwoordig overal antwoord op weet. Of gaat het hier om stokpaardjes in een wetenschappelijk jasje?

MENNO SCHILTHUIZEN EN MARTIN ENSERINK

(Oorspronkelijk verschenen in Intermediair, 21 augustus 1997.)

Wetenschappelijke werken zijn geen warme broodjes. Toen Darwin op het punt stond zijn On The Origin Of Species te publiceren. maakte hij zich dan ook ernstige zorgen over de verkoop. Zou, behalve het handjevol Víctoriaanse biologen, iemand in zijn boek geïnteresseerd zijn? Om zijn uitgever een financiële strop te besparen, bood hij aan een eventueel verlies uit eigen zak te betalen.

Hij had zich geen zorgen hoeven maken. De eerste oplage, 1.250 stuks, was binnen een dag uitverkocht. En daarmee was de toon gezet voor de komende honderdvijftig jaar. Darwins evolutieleer is een theorie met een enorme aantrekkingskracht gebleken. De laatste jaren groeit de belangstelling met een snelheid die alleen wordt geëvenaard door de AEX-index. Het tijdschrift New Scientist heeft iedere week een top-10 van populair-wetenschappelijke bestsellers en die bestaat steevast voor de helft uit boeken over evolutie. Wie een goed gesorteerde boekhandel binnenloopt, vindt meer titels met 'evolutie' of 'Darwin' erin dan op de vingers van twee handen zijn te tellen.

Vanwaar toch deze nimmer aflatende liefde voor de evolutie? Misschien is het een gevolg van de fascinatie voor het mysterieuze verleden van het leven. Wie evolutie zegt, denkt aan vervlogen tijden en werelden; moerassen vol palmvarens waarin reusachtige dinosauriërs rondsjokken, ijstijden waarin holenberen, mammoeten en sabeltandtijgers elkaar het leven zuur maken.

Maar dat kan maar een deel van de verklaring zijn. Fossielen van dinosauriërs waren in Darwins tijd nog amper bekend. En het woord 'dinosaurus' komt in de Origin niet eens voor. Dat boek was niet meer dan, zoals Darwin het zelf noemde, 'één lang betoog' dat dieren en planten over hele lange periodes van uiterlijk konden veranderen. Nu was zelfs dat niet echt nieuw, want Darwins eigen grootvader, Erasmus Darwin, had zestig jaar eerder al een populair boek over evolutie geschreven, getiteld Zoonomia, en in Darwins eigen tijd verscheen een controversieel (en anoniem) werk getiteld Vestiges of the Natural History of Creation, waarin hetzelfde werd beweerd--of iets dat er in ieder geval op leek. De auteur betoogde dat een chemicus erin geslaagd was leven te creëren door een oplossing van kaliumsilicaat en kopernitraat onder stroom te zetten, en dat de mens afstamde van een grote kikker.

Een waarschijnlijker oorzaak voor die grote liefde is dat de evolutietheorie een uiterst simpel, elegant idee is dat iedereen naar zijn eigen smaak kan aanpassen, en waarmee je eigenlijk alles kunt verklaren. Wat in Darwins tijd vooral tot de verbeelding moet hebben gesproken was het idee dat alle planten en dieren, inclusief de mens, ontstaan zijn uit lagere levensvormen via een mechanisme dat Darwin 'natuurlijke selectie' noemde. De onstuitbare eliminatie van de slechtst aangepasten. In de subtitel van de Origin klinkt het dreigend: preservation of favoured races in the struggle for life. Die bittere strijd om het bestaan, dáár kon het negentiende-eeuwse publiek iets mee.

In een tijd waarin de superioriteit van het blanke ras vanzelfsprekend was en ieder zichzelf respecterend West-Europees land koloniën bezat, kon men zich bij die struggle for existence wel iets voorstellen. En het was ook meteen duidelijk welk deel van het menselijk ras favoured was en in aanmerking kwam voor preservation.

Maar ook binnen de westerse samenlevingen kon Darwin goede diensten bewijzen. In de handen van de Britse filosoof Herbert Spencer groeide de evolutietheorie uit tot het 'sociaal darwinisme': de maatschappij zou slechts verder komen als ook daarin de sterksten zouden overwinnen. Een ongebreideld, meedogenloos kapitalisme was paradoxaal genoeg de enige weg naar een beter lot voor iedereen.

Onder hen die de idee van evolutie omarmden, waren er ook velen die in wezen geen boodschap hadden aan de wetenschappelijke argumenten die Darwin op tafel legde. Hun enthousiasme had alles te maken met hun wereldbeeld. Wat zij al wisten, namelijk dat negers en andere 'natuurvolken' minder ontwikkeld waren en daarom zonder scrupules onderworpen konden worden, kon nu 'wetenschappelijk' onderbouwd worden: dergelijke 'primitieve volkeren' waren rudimenten uit ons evolutionaire verleden, ondergeëvolueerd en tot uitsterven gedoemd. Die overtuiging komt nog het duidelijkst naar voren in de tot in het midden van deze eeuw gangbare plaatjes van 'de ladder van de vooruitgang'. Hierin werd een lange reeks getoond, van vis, via amfibie en reptiel naar aap, culminerend in de mens--een blanke wel te verstaan. En wie zat er een sportje lager, tussen aap en die keurig gekapte vertegenwoordiger van het Europide ras? Precies: een neger of aboriginal.

Hoe ver deze vernedering kon gaan bewees de New-Yorkse 'Bronx Zoo' in 1906. In een tentoongestelde reeks van aapjes, chimpansees en een gorilla was ook een kooi opgenomen met daarin een pygmee. De man, Ota Benga genaamd, was twee jaar daarvoor in Belgisch Congo gekocht door de ontdekkingsreiziger Samuel Verner, die hem met een aantal stamgenoten liet deelnemen aan de wereldtentoonstelling te St. Louis, waar ze een Pygmy village bevolkten. Daarna werd Benga overgedaan aan de New-Yorkse dierentuin, waar hij een kooi mocht delen met een papegaai en een orang-oetan genaamd Dohong.

Benga's martelgang duurde niet lang. De plaatselijke zwarte gemeenschap reageerde woedend en ook de kerk sprak haar afkeuring uit--overigens niet om ethische redenen maar omdat gevreesd werd dat de tentoonstelling het publiek zou overtuigen van de juistheid van de evolutietheorie! De directeur zwichtte en stond Benga toe overdag vrij rond te lopen--mits hij 's nachts maar weer terugging in zijn hok.

De evolutieleer werd door anderen weer beschouwd als een fraaie verklaring voor allerlei
geestelijke afwijkingen, die op hun beurt weer geassocieerd werden met 'primitieve' volkeren. Zo was de term 'mongooltje' oorspronkelijk bedoeld om aan te geven dat deze mensen in het 'mongolide' stadium van de ontwikkeling der mensheid waren blijven steken. Ook Sigmund Freud gaf in zijn boek A Phylogenetic Fantasy (1915) een evolutionaire verklaring voor allerlei vormen van 'dysfunctioneel gedrag': hysterie, obsessies, angsten, enzovoorts. Freud dacht dat dit restanten waren van gedrag dat ooit wèl een functie had gehad. Zo schreef hij over angstpsychosen: 'De mens, onder invloed van de invallende IJstijden, bekroop een algeheel gevoel van angst. De tot die tijd voornamelijk vriendelijke en bevredigende wereld veranderde in één massa van dreigend gevaar.'

Een tijdgenoot van Freud, Friedrich Engels, gaf een socialistisch tintje aan de evolutie. Engels (samen met Karl Marx de grondlegger van het 'wetenschappelijk socialisme') schreef in 1876 een pamflet getiteld The Part Played by Labour in the Transition from Ape to Man. Hierin suggereerde hij dat de menselijke hand was geëvolueerd in wisselwerking met arbeid. Ze is, zo schreef hij, 'niet alleen het arbeidsorgaan, het is ook het product van arbeid.' Hij stelde zich voor hoe de mensenhand in de loop der tijd steeds beter toegerust raakte voor het verrichten van steeds verder geavanceerde taken. Maar toen menselijke sociale structuren complexer werden, begonnen sommigen arbeid te bedenken voor, en op te dragen aan, anderen. Op dat moment, zo stelde Engels, ontstond de bourgeoisie.

Het verbaasde hem eigenlijk dat dit Darwin en de zijnen was ontgaan: 'De natuurwetenschappers van Darwins school zijn nog steeds niet in staat zich een helder beeld te vormen van het ontstaan van de mens, omdat zij, onder invloed van een [bourgeois] ideologie, niet de rol van de arbeid onderkennen.'

Uiteindelijk heeft Engels gelijk gekregen. Wie, zoals de Amerikaanse schrijver Richard Milner opmerkte, in zijn teksten het woord 'arbeid' vervangt door 'gebruik van werktuigen', komt aardig in de buurt van de huidige inzichten der antropologen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Engels door Chinese paleontologen nog steeds instemmend wordt geciteerd. Professor Jia Lanpo, een van degenen die betrokken was bij de opgravingen van de Peking Mens fossielen, legt in het in 1980 uitgegeven boekje Early Man in China omstandig uit dat Engels van grote invloed is geweest op zijn werk. En hij niet alleen: 'Deze transformatie [van aap naar mens] is natuurlijk in gang gezet door externe factoren. Want partijleider Mao heeft al gezegd: "Bij de goede temperatuur verandert een ei in een kip, maar geen enkele temperatuur kan een steen in een kip veranderen, want elk heeft een verschillende basis."'

A1 dit vrijelijk gebruik van Darwins inzichten doet inmiddels hopeloos ouderwets aan. De evolutiebiologie laat al jaren niet meer met zich sollen. Evolutie is geen speeltje meer om van alles en nog wat in de vakjes 'laag' en 'hoog' (lees: 'slechter' en 'beter') in te delen, maar wordt nu alom gerespecteerd--om niet te zeggen gevreesd. En dat is in niet geringe mate te danken aan de Amerikaanse bioloog Edward O. Wilson en diens boek Sociobiology (1975). Wilson, een expert op het gebied van mieren, probeerde sociaal gedrag evolutionair te verklaren--dat van dieren wel te verstaan. Alleen in zijn allerlaatste hoofdstuk speculeerde hij over de biologische oorsprong van menselijk gedrag, bijvoorbeeld dat de verschillen tussen man en vrouw biologisch bepaald waren. Dat was vloeken in de kerk. Wilson werd jarenlang verketterd, onder andere door Harvard-collega Stephen Jay Gould. Ook in Nederland brak er een uitgebreide discussie los over deze alom als racistische en seksistisch bestempelde theorie.

Maar het idee sloeg aan, en wie nu Wilsons Sociobiology naast de stapels moderne evolutionaire literatuur legt, kan constateren dat er in de biologie een ware aardverschuiving heeft plaatsgevonden. Wat Wilson zo aarzelend opschreef, is inmiddels gemeengoed.

Toen bioloog en Intermediair-medewerker Marcel Roele onlangs aanzat in het radioprogramma De Tafel van Pam om te praten over zijn boek De eeuwige lokroep--over de biologische oorsprong van de sekseverschillen en seks--werd hij door het panel van schrijvers en journalisten welwillend aangehoord. Tien jaar geleden zou hij waarschijnlijk weggehoond zijn--als men hem al enige aandacht waardig keurde.

De evolutieleer is niet alleen salonfähig geworden, ze is hard op weg een van de hoekstenen van ons mensbeeld te worden. Hoe zouden we de mens ooit kunnen begrijpen als we geen rekening houden met zijn afkomst, en de miljoenen jaren natuurlijke selectie die hij heeft doorgemaakt? Hoe zouden we moderne relaties tussen man en vrouw kunnen begrijpen als we er geen rekening mee houden dat het hier in feite gaat om twee individuen die slechts gedeeltelijk dezelfde belangen hebben en eigenlijk maar één ding willen: zoveel mogelijk van hun genen doorgeven aan de volgende generatie? Omdat een vrouw slechts een beperkt aantal kinderen kan krijgen, heeft zij er belang bij die kinderen de beste kansen te geven en kiest dus voor een stabiele relatie met een maatschappelijk geslaagde man. En de man, die honderden kinderen kan krijgen, tja, die zal wel altijd op zoek blijven naar het avontuur.

Dit volstrekt amorele samenlevingsmodel spreekt zelfs bij een behoudend blad als Time tot de verbeelding. Dat wijdde ooit een cover aan de vraag: Infidelity, is it in our genes? Het antwoord was een volmondig ja. Robert Wright, redacteur van het links-liberale blad The New Republic ging in zijn boek The moral animal nog een stuk verder. Hij liet zien hoe ieder aspect van het menselijk gedrag, inclusief ons besef van goed en kwaad, moeiteloos vanuit evolutionaire termen te begrijpen valt. Ook de Nederlandse primatoloog Frans de Waal betoogde in zijn een-na-laatste boek Good natured dat ethiek een uitvinding van de evolutie is.

Sociobiologen hebben zich inmiddels ook gewaagd aan een evolutionaire verklaring van verkrachting, van oorlog, van godsdienst en ziekte. Volgens Randolph Nesse en George Williams, auteurs van Why we Get Sick, vallen overgewicht, hart- en vaatziekten veel beter te begrijpen als we bedenken dat de primitieve mens constant moest sappelen om aan eten te komen, en dus geprogrammeerd is om te schransen. Komt wiegedood misschien zoveel voor omdat moderne moeders--in tegenstelling tot hun voorouders--niet meer vlakbij hun kinderen slapen? Williams en Nesse speculeren ook over de oorzaak, misschien zelfs het nut, van paniekstoornissen, depressies en schizofrenie.

De sociobiologie is uitgegroeid tot een volwassen wetenschap; sociobiologen--die zich tegenwoordig overigens liever 'gedragsecologen' noemen--baseren hun theorieën allang niet meer op maatschappelijke opvattingen die toevallig binnen de westerse cultuur opgeld doen, maar vergelijken honderden verschillende culturen en proberen hypotheses op te stellen die op statistisch verantwoorde wijze te toetsen zijn. Maar sommige theorieën zijn niet te toetsen--en toch o zo verleidelijk.

Onder sociobiologen circuleert een database getiteld Human Affairs and Natural Selection waarin een lange lijst menselijke gedragingen wordt opgesomd, samen met een evolutionaire theorie over hun ontstaan; van abortus via vreemdelingenangst tot zelfbedrog. Waarom huilen mensen als ze hulp nodig hebben? Antwoord: door te huilen imiteren ze pasgeboren baby's (wiens gezicht immers nog nat is) en profiteren zo van de evolutionair ingebakken neiging wezens met een nat gezicht te helpen. Waarom worden mannen jong kaal? Omdat ze ouder willen lijken; vrouwen vallen doorgaans op wat oudere mannen en dus vergroten die mannen zo hun reproductieve succes.

Het is allemaal leuk bedacht, maar onbewijsbaar. Wie enige tijd in het programma ronddoolt, wordt bekropen door het idee dat als vrouwen kaal zouden worden (of een baard zouden hebben) daar ongetwijfeld óók een sociobiologische verklaring bij gevonden zou kunnen worden. Vooral in de populair-wetenschappelijke literatuur is het moeilijk kaf van koren te scheiden.

De Britse biologen Mark Bellis en Robin Baker denken dat het mannelijk sperma speciale 'killercellen' kent die in staat zijn concurrerende zaadcellen te doden. Zij menen zo'n sperma-oorlog in de reageerbuis te hebben gezien. Het zou een aanpassing zijn aan het feit dat vrouwen er soms meerdere minnaars op na houden en onbewust--bijvoorbeeld door het orgasme--het zaad van de ene meer kans geven dan de andere. Die theorie leverde veel media-aandacht op en Bakers boek Sperm wars werd een bestseller, maar Baker moet het volledig hebben van circumstancial evidence. Geen wonder dat drie collega-biologen in het vakblad Trends in Ecology and Evolution de vloer aanveegden met het duo. 'Gesteund en uitgebuit door de media, hebben Baker en Bellis het publiek op grote schaal misleid', briesten ze.

De wassende stroom boeken over 'evolutionaire geneeskunde' kan niet verhelen dat er op dit terrein nog vrijwel geen onderzoek is gedaan. En de met veel aplomb gebrachte theorieën over ontrouw en de verschillen tussen mannen en vrouwen liggen ook zwaar onder vuur. DeAmerikaanse antropologe Monique Borgerhoff-Mulder vreest dat de sociobiologie een soort pop-psychology dreigt te worden die de bekende vooroordelen over mannen, vrouwen, seks en ontrouw van een trendy wetenschappelijk jasje voorziet--'En dat ook nog op de cover van Time!' Borgerhoff-Mulder, die zelf jarenlang temidden van een Afrikaanse stam heeft gewoond, heeft niets tegen biologische verklaringen voor menselijk gedrag--integendeel. Maar dan wel op basis van grondig onderzoek in het echte leven in plaats van enquêtes onder psychologiestudenten.

Maar de verleiding blijft groot. De evolutietheorie is nu eenmaal niet alleen elegant, simpel en geniaal, ze draagt ook de belofte in zich twee fundamentele vragen te gaan beantwoorden: waar komen we vandaan en waarom zijn we zoals we zijn? Zolang we met die vragen worstelen zal de evolutie een populair onderwerp blijven, zal menigeen zijn eigen versie van de evolutietheorie produceren en zullen vele boeken gevuld worden met interessante theorieën die nauwelijks te bewijzen zijn.

Wat dat betreft is er in de afgelopen miljoenen jaren nooit wat veranderd: met de evolutie kun je vele kanten op.

 

   
Copyright©2004 Schilthuizen.org