|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Robotkreeft
kan prima ruiken
Een Nederlandse
onderzoeker heeft in de Verenigde Staten een robotkreeft gebouwd
die onder water kan ruiken. Op grond van beperkte informatie kan
hij zonder aarzelingen een geurbron opsporen.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant, 20 augustus 1997.)
Wie Provence
zegt, denkt ogenblikkelijk aan de zwoele mediterrane geuren van
tijm en
lavendel. En schippers kunnen op mistige nachten soms de nabijheid
van land afleiden uit een plotseling opgevangen vleugje dennengeur.
Of stel je voor: je loopt op straat en ruikt ineens de lucht van
versgebakken brood; automatisch kijk je om je heen of je ergens
een bakkerij ziet.
Mensen zijn
blijkbaar goed in het associëren van geuren met beelden.
Maar moeilijker krijgen we het als we iets onbekends ruiken. Almaar
'wat ruik ik toch?' prevelend, zigzaggen we door de kamer en proberen
vergeefs de bron van de geur te traceren. Veel dieren zijn daar
een stuk behendiger in. Kreeften bijvoorbeeld kunnen binnen een
halve minuut een twee meter ver gelegen geurbron lokaliseren,
uitsluitend geleid door hun neus, of liever gezegd, door hun antennules,
de sprieten op hun kop.
Kreeften
bewonen dan ook een 'geurlandschap'. Voor het vinden van voedsel
en partners zijn ze helemaal afhankelijk van wat ze onder water
'opsnuiven'. Want dat ze in zee leven maakt niet uit, zegt de
bioloog J. Atema, 'geur gedraagt zich onder water precies hetzelfde
als erboven.' De Nederlander Atema, hoogleraar biofysica aan de
Universiteit van Boston, houdt zich al jaren bezig met de geurzin
van kreeften. Tijdens een bezoek vorige week aan het Instituut
voor Evolutionaire en Ecologische Wetenschappen in Leiden, legde
hij uit waarom. 'Een uitwaaierende pluim van geur of rook heeft
ruwweg de vorm van een wimpel', zegt hij. 'Als je vanuit een vliegtuig
neerkijkt op een olievlek op zee zie je dat heel duidelijk. Een
onregelmatig, maar vanaf het lekkende schip steeds wijder wordend
spoor.
'Maar als
je nu uit dat vliegtuig middenin de olievlek zou springen, dan
wordt het ineens veel moeilijker om je plaats ten opzichte van
de bron te bepalen. Want op kleine schaal verdwijnt die duidelijke
verdikking van olie in de richting van de bron. Er zijn talloze
plekjes waar toevallig meer of minder olie drijft. Het patroon
is turbulent.'
En turbulentie
is de nachtmerrie van iedere natuurkundige. Je kunt het wel beschrijven,
maar niet voorspellen. En dus is het ook heel moeilijk om uit
een turbulente geurpluim met allerlei kleinere en grotere draaikolkjes
informatie te halen over de positie van de bron.
Toch hebben
kreeften er weinig moeite mee. Maar hoe doen ze dat? Om die vraag
te beantwoorden, bouwde Atema een kunstmatige kreeftenneus: twee
sensoren met dezelfde dikte en positie (3 centimeter uit elkaar)
als de voelharen die de kreeft op zijn antennules heeft staan.
Deze kunstmatige neus werd vervolgens in het laboratorium in een
geurpluim geplaatst.
Het bleek
dat de sensoren nuttige informatie konden leveren: wanneer een
draaikolkje de neus van links naar rechts passeerde, gaf eerst
de linker en dan de rechter sensor een signaal af. En doordat
de draaikolkjes zich meestal van het midden van de pluim naar
buiten bewogen, zou de kreeft hieruit zijn positie kunnen bepalen.
Bovendien waren draaikolkjes dichtbij de bron smaller dan die
op grotere afstand.
Atema plaatste
vervolgens elektroden in de voelharen van levende kreeften en
kon zo aantonen dat de echte voelharen van het dier dezelfde signalen
oppikken. Dus de antennules van de kreeft leveren in principe
bruikbare gegevens voor het dier om zijn weg te vinden. Maar is
dat de enige informatie die het gebruikt?
Atema: 'We
wisten natuurlijk niet of kreeften niet ook nog allerlei andere
zintuigen gebruiken. Stroomsnelheden van het water bijvoorbeeld.'
En dit is het punt waarop RoboLobster zijn intrede deed. Samen
met enkele studenten bouwde Atema een robotkreeft. Een soort miniatuur
onderwater-gierkar met daarop weer de twee sensoren. Aan boord
(in de giertank) zat een computer waarin het gedrag van een echte
kreeft werd geprogrammeerd, althans een kreeft zoals Atema dacht
dat hij werkte, gebaseerd op de resultaten met de kunstmatige
neus.
De vraag
was nu of RoboLobster, net als echte kreeften, in staat zou zijn
de bron van een geurpluim te vinden, puur en alleen op basis van
de signalen uit zijn computerneus. De resultaten waren verrassend.
In de meeste proeven reed RoboLobster zonder aarzelen op het pijpje
af waaruit de geurstof zich verspreidde.
Atema: 'We
hebben filmpjes laten zien op congressen van robotmakers en die
lui waren behoorlijk onder de indruk. Een robot die echt werkt,
schijnt nogal uitzonderlijk te zijn.'
Het succes
van RoboLobster is vooral prettig voor Atema omdat hij al jaren
probeert de Amerikaanse marine voor zijn werk te interesseren.
Robots als RoboLobster zouden bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden
om zeemijnen op te sporen. Want mijnen, zegt Atema, 'geven ook
geur af'. Hoewel Atema vermoedt dat de marine een voorkeur heeft
voor het gebruik van sonar voor dit soort dingen, zijn de militairen
nu toch overstag.
Er is een
samenwerking tot stand gekomen waarbij een van de mogelijkheden
het ontwikkelen is van RoboFish: een robot die in drie dimensies
kan ruiken. 'En dat allemaal geïnspireerd op echte biologie',
straalt Atema.
|