© Copyright Menno Schilthuizen

De inventaris van klein grut en onopvallend spul

Het Nederlandse natuurbeleid concentreert zich op vogels en planten. Ten onrechte, zo blijkt uit een zojuist verschenen boek. Het grootste en meest kwetsbare deel van onze biodiversiteit bestaat uit insekten en ander klein grut met een te lage aaibaarheidsfactor.

MENNO SCHILTHUIZEN

(Oorspronkelijk verschenen in Intermediair, 15 december 1995.)

Hebt u de laatste tijd nog hennepvreters gezien? Of bosdoorntjes? Duitse doodgravers, of vliezige drijfhorens? Waarschijnlijk niet, want het zijn dier- en plantensoorten die in de loop van deze eeuw uit ons land zijn verdwenen. Wespebokken en slibanemonen daarentegen zijn er nog volop, terwijl wrattenbijters, zeeappels en Pelvetia canaliculata hard op hun retour zijn.

Dit is te lezen in het onlangs verschenen boek Biodiversiteit in Nederland, het verslag van een in 1993 in Leiden gehouden symposium. Maar het boek is meer dan alleen een verslag. Het geeft antwoord op vragen als: wat is biodiversiteit, en hoe is het te meten? Verder bevat het het eerste complete overzicht van de Nederlandse flora en fauna, en bijdragen over het natuurbeleid van de overheid. 'Het beleid', schrijft redacteur Erik van Nieukerken in de inleiding, 'wordt in hetzelfde boek behandeld als de wetenschappelijke kritiek erop.'

Kritiek? Wat kan er nou mankeren aan een overheidsbeleid dat, aldus twee van de auteurs, gericht is op 'behoud van biodiversiteit'? In de loop van deze eeuw hebben biologen en natuurbeschermers de natuur achteruit zien gaan: populaties slonken, soorten verdwenen of werden veel zeldzamer dan vroeger. Tot voor kort maakte de politiek zich daar niet erg druk over. Maar dat is veranderd: de laatste jaren prijkt biodiversiteit hoog op de Haagse agenda. Zeker sinds Nederland drie jaar geleden in Rio de Janeiro het biodiversiteitsverdrag (als appendix opgenomen in het boek) medeondenekende.

Het staat allemaal duidelijk in het Natuurbeleidsplan van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV). Er moet een soort nationaal reddingsvest komen van bestaande natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In deze 'Ecologische Hoofdstructuur' zou de Nederlandse biodiversiteit kunnen worden behouden. Met andere woorden: de te beschermen gebieden moeten zó geselecteerd worden, dat ze een maximum aan soortenrijkdom herbergen.

Om dat te bereiken is een aantal 'doelsoorten' aangewezen. Dit zijn soorten, die in Nederland zeldzaam zijn of achteruit gaan, of waarvoor ons land een belangrijk deel van zijn internationale verspreidingsgebied uitmaakt. Zodra een dier of plant aan ten minste twee van deze drie criteria voldoet, heeft het de status van doelsoort verworven. In totaal zijn dat er ruim 600, die dienen als toetssteen voor de biologische waarde van een natuurterrein.

Bij het doorlopen van de complete lijst valt op dat bepaalde planten- en diergroepen wel erg sterk vertegenwoordigd zijn. Zo bestaat de lijst voor tweederde uit hogere planten, terwijl onder de dierlijke doelsoorten de gewervelden de zaak domineren. Enkele groepen opvallende insekten, zoals vlinders en libellen, komen er nog in voor, maar het kleinere grut schittert door afwezigheid. De verklaring hiervoor ligt in één zinnetje: 'overige soortgroepen: geen data'.

Amateurbiologen
Is dat echt zo? Is de kennis van onze schimmels, mijten, muggen, korstmossen, eikelwormen en ander onopvallend spul werkelijk zo ontoereikend? Het lijkt haast onvoorstelbaar in een zo doorvorst land als het onze. Peter Koomen en Jan van Tol, beiden van het Nationaal Natuurhistorisch Museum (NNM) in Leiden, publiceerden twee jaar geleden Het Verborgene Ontsloten, een studie waarin ze de beschikbaarheid van gegevens over wat ze 'cryptobiota's' noemen eens precies nagingen. Een deel van hun werk is ook in Biodiversiteit in Nederland opgenomen.

Koomen: 'Er bleek wel degelijk veel bekend te zijn over de cryptobiota's. De informatie is alleen veel meer verbrokkeld en verborgen dan bijvoorbeeld bij vogels of hogere planten. Voor veel groepen zitten de belangrijkste gegevens nog steeds in de hoofden en kaartenbakken van amateur-verzamelaars.'

Daar komt nog bij dat het om ontzettend veel soorten blijkt te gaan. Koomen en zijn collega's lieten een vragenlijst circuleren onder beroeps- of amateurbiologen die gespecialiseerd zijn in een bepaalde diergroep.

Burgerlijke stand
Het resultaat was verrassend: maar liefst vijfentwintigduizend verschillende diersoorten zijn in Nederland vastgesteld. Tel daarbij op de nog te verwachten soorten in slecht onderzochte groepen zoals de zuigwormen (honderd gevonden, negenhonderd verwacht), en je komt nog eens tienduizend soorten hoger uit. 'De schrikbarende conclusie', aldus Koomen, 'is dat het Nederlandse biodiversiteitsbeleid wordt bepaald op grond van een klein aantal, relatief soortenarme groepen. Nederland telt 239 soorten vogels. Wat soortenrijkdom betreft vormen ze dus een marginaal groepje. Maar liefst 27 procent daarvan is doelsoort. Als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld de vliesvleugeligen (bijen, wespen en mieren), met 7500 Nederlandse soorten, waaronder geen enkele doelsoort, dan is het duidelijk dat de verhouding scheef ligt.'

Volgens sommige natuurbeschermers en beleidsmakers is dat allemaal niet zo erg. Als aan gewervelde dieren en hogere planten voldoende aandacht wordt besteed, zo gaat de redenering, dan profiteert de rest van de natuur automatisch mee. Maar volgens Koomen gaat die argumentatie vaak niet op: 'Kleine ongewervelde dieren spelen een sleutelrol in ecosystemen. Zij zijn de afvalopruimers, bloembestuivers en begrazers. Bovendien is de achteruitgang van een natuurgebied sneller aan hen waar te nemen. Een groot deel van de insektensoorten in een gebied kan verdwijnen zonder dat er veel te merken valt aan de insekteneters onder de vogels. Die eten gewoon meer van hetzelfde.'

Koomen vindt dat cryptobiota's de plaats in het natuurbeleid moeten krijgen die ze verdienen. Een goede databank zou daarbij helpen. 'Het zou al een hele stap vooruit zijn om alle bestaande gegevens over voorkomen en levenswijze van de Nederlandse ongewervelde dieren bij elkaar te brengen op één centrale plaats. Voorlopig is het nog niet zo ver. Het ontbreekt niet alleen aan geld, maar ook aan zoiets als een burgerlijke stand van de fauna: een lijst van alle soorten met een grove aanduiding van hun woonplaats.' Het Nationaal Natuurhistorisch Museum heeft alvast het initiatief genomen om zo'n Zoölogisch Basisregister samen te stellen. Daar zouden dan in de toekomst gedetailleerde gegevens aan kunnen worden toegevoegd.

Overlijdensaktes
Voor veel diergroepen is het helaas al te laat, zo blijkt uit het boek. Bijna driekwart van de Nederlandse steenvliegen, veertig procent van de haften en een kwart van de sponzen is al verdwenen, terwijl voor een derde van het bestand aan wilde bijen (zo'n honderd soorten) wordt gevreesd. De ambtenaren van de biologische burgerlijke stand zullen zich moeten haasten. Anders zijn ze straks alleen nog maar met overlijdensaktes bezig.


Biodiversiteit in Nederland. Red. E.J. van Nieukerken
en A.J. van Loon. Nationaal Natuurhistorisch Museum / KNNV Uitgeverij. Verkrijgbaar in de boekhandel en bij KNNV Uitgeverij, f 57.50.

 

   
Copyright©2004 Schilthuizen.org