|
© Copyright
Menno Schilthuizen
MENNO
SCHILTHUIZEN is ziek van geesten
(Oorspronkelijk
verschenen in Bionieuws, 15 oktober 2004.)
Een doordeweekse
namiddag een tijdje geleden. Het is buiten al aan het schemeren
en dan ineens: grote consternatie op de gang van het instituut.
Firdaus heeft een spook gezien! Het fladderde voor het PCR-lab
en scheerde daarna rakelings voor zijn gezicht langs. Firdaus
vertoont zich een week niet op het werk.
Borneo kent
een rijke diversiteit aan buitenlichamelijke verschijningsvormen,
elk met een eigen niche; van de pontianak die zich in de kapokboom
ophoudt tot de nestvaren-bewonende langsuir. En van tijd tot tijd
gooien spoken en andere paranormale gebeurtenissen dan ook roet
in het eten bij veldwerk en onderzoek. Zo hebben we behalve met
het PCR-spook inmiddels al te maken gehad met een veldlocatie
waar sommige studenten niet meer willen komen omdat er "iets"
gevoeld is, en twee beheksingen, waarbij in één
geval witte kippen geofferd moesten worden in een poging de betovering
te verbreken.
Leuk etnografisch
materiaal natuurlijk, maar het kost allemaal tijd en witte kippen
kun je niet opnemen in een onderzoeksbudget. Bovendien blijft
het mij een raadsel hoe mensen die worden opgeleid tot wetenschapper
met zulk gemak hun verstand kunnen laten varen ten faveure van
irrationeel geloof. Mijn goedgelovige studenten zijn daarbij trouwens
in aanzienlijk gezelschap. Onze eigen Alfred Russel Wallace werd
kort na terugkomst uit de Oost een fervente spokenaanbidder en
stortte zich, tot groot ongenoegen van Darwin en andere negentiende-eeuwse
natuurvorsers, helemaal op de mystiek en séances. Maar
tegelijkertijd bleef hij ook intellectuele hoogstandjes produceren
aan natuurlijke selectie en biogeografie.
In zijn onlangs
uitgekomen boek An Elusive Victorian suggereert de socioloog Martin
Fichman dat Wallace zijn spirituele overtuigingen opdeed dankzij
zijn ervaringen met shamanen en spookverschijningen in het Amazonegebied
en Zuidoost-Azië. Maar dat is maar ten dele waar. Wallace'
grootste invloed waren de optredens van spirituele media die met
trucages een groot deel van de bovenlaag van de Victoriaanse samenleving
wisten te ringeloren. Op latere leeftijd probeerde Wallace nogal
krampachtig een consensus te smeden tussen zijn wetenschappelijke
werk en zijn spiritualistische overtuigingen, waarbij hij zelfs
zover ging in geesten een hoger geëvolueerde levensvorm te
zien.
Of mijn studenten
zich nu, meer dan een eeuw later, in eenzelfde impasse bevinden
als Wallace indertijd betwijfel ik. Ik bespeur weinig van het
verwachte intellectuele conflict tussen rede en geloof. Mijn student
offert 's ochtends ritueel een kip om 's middags doodleuk verder
te werken aan zijn statistische analyses. Waarom zou hij in vredesnaam
zijn hypothese over apengedrag pas aanvaarden wanneer de statistische
test significant is, en tegelijkertijd het bestaan van de langsuir
aannemen zonder enig tastbaar bewijs? Wetenschap en rationaliteit
zijn niet iets wat je na werktijd afzet. Het zou een manier moeten
zijn om de waarneembare werkelijkheid te begrijpen, overal en
altijd. Tijd voor een vaderlijk gesprek, denk ik. Bij een bordje
nasi met kip.
|