|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Het verstandshuwelijk
tussen genetica en veldbiologie
Biologen
die planten en dieren in het vrije veld bestuderen, hadden tot
voor kort nauwelijks contact met moleculair genetici die in het
laboratorium met DNA werken. De laatste jaren zijn moleculaire
technieken als DNA-fingerprinting echter veel eenvoudiger en goedkoper
geworden, zodat ze ook voor de bioloog in het wild nuttig kunnen
zijn. Het Instituut voor Evolutionaire en Ecologische Wetenschappen
(E.E.W.) heeft eind 1992 een moleculair lab ingericht om beide
soorten onderzoek te combineren. Zo kunnen vaderschapsrelaties
of het verloop van de evolutie tot in detail bestudeerd worden.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Mare, 1 september 1994.)
De eersten
die van de mogelijkheden van het nieuwe lab gebruik maakten waren
aio Bert van den Bergh en zijn student Robert Moonen van de groep
Dierecologie. Van den Bergh bestudeert het parasiteergedrag van
de sluipwespen van het geslacht Asobara. Deze wespen leggen hun
eitjes in de larven van Drosophila, fruitvliegjes. Europese Asobara's
doen vaak aan superparasitering: als een wespevrouwtje een gastheer
tegenkomt waar al een eitje van een ander vrouwtje
inzit, legt ze er gewoon een tweede bij. Bij de Afrikaanse soort
Asobara citri komt superparasitering echter nooit voor.
Van den Bergh
vroeg zich af waarom niet. Met observatie in het veld kwam hij
er niet. Het DNA van de wespjes bood uitkomst: Moonen ontwikkelde
een zogenaamde Polymerase chain reaction-techniek (PCR; zie kader)
om de diverse laboratoriumstammen van Afrikaanse Asobara's van
elkaar te onderscheiden. Vervolgens liet Van den Bergh twee vrouwtjes
van verschillende stammen eenzelfde larve parasiteren. Door nu
het DNA van de nakomelingen te bekijken, konden de onderzoekers
zien wie de moeder was: het eerste of het tweede wespje. Het resultaat?
'Bij alle proeven die we tot
nu toe hebben gedaan, kregen we dezelfde uitkomst', zegt Van den
Bergh, 'het eerste vrouwtje is altijd de moeder van de jonge wespjes.
Waarschijnlijk is dat de oorzaak van het ontbreken van superparisitering
bij deze soort: een tweede eitje ontwikkelt zich gewoon niet'.
De onderzoekers
zijn er nog niet achter hoe het komt dat het tweede eitje geen
kans maakt. Mogelijk wordt bij het leggen van het eerste ei een
stof ingespoten die maakt dat de ontwikkeling van een tweede ei
geblokkeerd wordt.
Ging het
bij de sluipwespjes om moederschapsanalyse, dr Tom de Jong van
de groep Ecologie van Plant-Dierrelaties is geïnteresseerd
in vaderschapsanalyse hij hondstongplanten. 'We doen al vijftien
jaar onderzoek in de duinen bij Meijendel aan de bestuiving bij
diverse planten. Hondstong is een plant met veel grote bloemen.
Er komen dus veel insekten op af, die kunnen zorgen voor kruisbestuiving.
Tegelijkertijd vliegen die insekten ook weer van bloem naar bloem
op dezelfde plant, zodat er zelfbestuiving optreedt.'
Vaderschapsanalyse
Ruwweg kun je zeggen, dat zelfbestuiving slecht is voor een plant
en kruisbestuiving goed. Voor een deel komt dat doordat zelfbestuiving
het plantenequivalent van extreme inteelt is: het levert vaak
kneusjes op.' We vroegen ons af hoe Hondstong omgaat met die mengeling
van kruis- en zelfbestuiving', legt de Jong uit. 'We vinden vaak
slecht ontwikkelde zaden en hebben het idee dat deze door de plant
zelf bevrucht en vervolgens geaborteerd zijn. Maar om dat te bewijzen
moeten we vaderschapsanalyses doen'.
Post-doc
Klaas Vrieling en analiste Jenny Peters-van Rijn proberen nu geschikte
primers en reactieomstandigheden te vinden om ook hier PCR toe
te passen. Bovendien hanteren ze het zogenaamde DNA-fingerprinting,
dezelfde techniek die Justitie gebruikt om daders van zedenmisdrijven
te identificeren.
Ook Cock
van Oosterhout, oio bij de groep Evolutiebiologie, en zijn studente
Mariëlle van Eeken maken gebruik van DNA fingerprinting.
Het project van Van Oosterhout primair om het effect van populatieversnippering
op genetische variatie. Met experimentele populaties vlinders
in kweekkamers bootsen ze na wat in de natuur tegenwoordig overal
gebeurt: grote aanééngesloten gebieden worden door
menselijke activiteiten opgedeeld in kleine, geïsoleerde
restantjes. De theorie voorspelt dat ál te kleine populaties
gemakkelijk kunnen uitsterven door het verlies aan genetische
variatie. Met de laboratoriumproeven kunnen de onderzoekers nagaan
welke factoren precies van belang zijn voor de levensvatbaarheidvan
zulke populaties. DNAfingerprinting levert daarbij een maat voor
de genetische variatie. Van Oosterhout: 'We hebben straks een
veel beter inzicht in de effecten van populatieversnippering.
En dat is weer direct toepasbaar in het natuurbeheer'.
Geavanceerde
klapdeurtjes
Prof. Edi Gittenberger gebruikt het nieuwe lab om de evolutie
op te helderen van de Mediterrane landslakken waaraan zijn groep
Dierensystematiek werkt. 'Overal in Griekenland komen clausiliiden
voor', legt hij uit, 'langwerpige slakjes met een soort klapdeurtje
in de mond van het huisje. Op een aantal plaatsen vind je een
afwijkend type klapdeurtje, een soort verbetering van het gewone
type'. De vraag die Gittenberger en zijn medewerkers probeerden
te beantwoorden was: is het verbeterde klapdeurtje één
of meerdere keren in de evolutie ontstaan?
Morfologische
kenmerken konden geen uitsluitsel bieden en de eiwitten van de
slakken al evenmin. Daarom besloten de onderzoekers het erfelijk
materiaal van de slakjes eens onder de loupe te nemen. Ze vergeleken
bij verschillende soorten de volgorde van de basen (de 'schakels'
waaruit de DNA-keten is opgebouwd) in een stukje gen, het zogenaamde
ITS-1.
Het bleek
dat de slakken met het geavanceerde sluitmechanisme telkens nauwer
aan een naburige 'normale' soort verwant waren dan aan elkaar.
Met andere woorden: het verbeterde klapdeurtje moest inderdaad
meerdere keren onafhankelijk geëvolueerd zijn. Gittenberger:
'We zijn reuze blij met deze resultaten, en we gaan de techniek
nu ook toepassen op andere problemen waar we onze tanden al jarenlang
op stukbijten, zoals de oorsprong van de bijzonder diverse clausiliidenfauna
van Kreta'.
KADER: De gereedschapskist van de geneticus
De dragers van de erfelijke eigenschappen van alle dieren en planten,
de chromosomen, bestaan uit lange ketens DNA. De genetische code
is vastgelegd in de volgorde van vier 'basen' in het DNA: adenine,
cytidine, guanine en thymidine, repectievelijk afgekort met de
letters A, C, G en T. Gewoonlijk is iedere DNA-keten gekoppeld
aan een tweede, complementaire keten. Samen vormen deze twee de
bekende 'dubbele helix'. Voor het bepalen van de evolutionaire
verwantschap tussen soorten wordt vaak gebruik gemaakt van DNA-sequencing,
het bepalen van de basevolgorde van een stuk DNA. Hoe langer geleden
twee soorten zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke voorouder,
hoe meer verschillen door spontane mutaties zijn ontstaan in de
basevolgordes van hun DNA.
Bij DNA-fingerprinting
wordt gebruik gemaakt van restrictie-enzymen. Deze stoffen herkennen
specifieke basevolgordes in het DNA en knippen het daar door.
Het resultaat van een behandeling van DNA met deze enzymen is
dus een mix van allemaal stukjes DNA van verschillende lengte.
Dit mengsel kan op lengte gesorteerd worden met een techniek die
'electroforese' heet. Het DNA wordt aangebracht aan één
kant van een gel, een dunne plak gelatine-achtig materiaal. Over
deze plak wordt een elektrische spanning aangebracht. Het elektrisch
geladen DNA begint nu door de gel te bewegen. Korte stukje komen
daarbij sneller vooruit dan lange stukjes, met als gevolg dat
de stukjes precies op volgorde van lengte over de gel verspreid
komen te zitten. De volgende stap is de behandeling van de gel
met probes, stukjes DNA die zich vasthechten aan een bepaalde
basevolgorde in de geëlectroforeerde DNA-fragmenten. De probes
zijn voorzien van een radioactief of lichtgevend 'label', zodat,
wanneer de gel op een fotografische plaat wordt gelegd, een patroon
van donkere bandjes zichtbaar wordt. De aan- of afwezigheid van
bandjes kan van individu tot individu verschillen. Op deze manier
kan fingerprinting worden gebruikt voor ouderschapsbepaling: omdat
ieder individu zijn DNA ontvangt van beide ouders, moet het patroon
van bandjes zijn opgebouwd uit bandjes die óf bij de vader
óf bij de moeder aanwezig zijn.
De polymerase
chain reaction (PCR) maakt het mogelijk om binnen enkele uren
vele miljoenen kopieën te maken van een minieme hoeveelheid
uitgangs-DNA. De techniek maakt gebruik van het enzym DNA-polymerase
dat met één DNA-keten als voorbeeld, de tweede keten
van de dubbele helix erbij maakt. Het sneeuwbaleffect van de 'kettingreactie'
zit hem in het feit dat bij iedere van de ca. 30 cycli die een
PCR-reactie doorloopt, de gevormde dubbele helices van elkaar
worden losgemaakt, waarna elk van de enkele ketens weer wordt
gecompleteerd door het enzym. Een belangrijk onderdeel van de
PCR is de primer, een kort stukje DNA, waarvan de volgorde precies
past op een bestaande volgorde in het te analyseren DNA. Het is
op deze primers dat het enzym begint met aanbouwen van de DNA-keten.
De PCR techniek die op het EEW-lab wordt gebruikt, staat bekend
als RAPD (Random Amplified Polymorphic DNA). Hierbij worden korte
primers (ca. 10 basen lang) gebruikt. Omdat deze primers zo kort
zijn, komt hun basevolgorde vaak voor in het DNA, zodat in de
reactie een reeks verschillende stukjes DNA wordt gekopiëerd.
Het aantal aangrijpingspunten tussen stammen zal in het algemeen
verschillen. Van den Bergh en Moonen, bij voorbeeld, vergeleken
het RAPD-patroon van hun jonge wespjes met die van het ene vrouwtje
(uit stam A) en die van het andere vrouwtje(uit stam B) en konden
zo zien wie de moeder was.
|