|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Verklaring
soortvorming verdeelt biologen nog steeds
Het ontstaan
van nieuwe soorten in de natuur vormt ruim een eeuw na Darwin
nog steeds een twistpunt. Meestal duurt een biologenleven te kort
om soortvorming waar te nemen, dus wordt er steeds meer met modellen
gewerkt.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Mare, 1 december 1994.)
Het is deze
week op de kop af 135 jaar geleden dat Charles Darwins opus magnum
On the Origin of Species verscheen en nog steeds vormt de vorming
van nieuwe soorten of 'speciatie' een centraal thema binnen de
evolutiebiologie. Het is daarom des te opvallender dat er onder
biologen nog altijd geen consensus bestaat over het begrip 'soort'.
Sommigen
volgen het 'biologisch soortsbegrip' van de beroemde Duitse bioloog
Ernst Mayr, die stelde dat een soort bestaat uit een groep individuen
die zich wel onderling kunnen voortplanten maar niet met leden
van een andere dergelijke groep: ze zijn 'reproductief geïsoleerd'.
Aanhangers van een concurrerend soortsbegrip vinden dat een soort
één of meerdere unieke kenmerken moet bezitten.
Meestal zijn
twee soorten zowel uiterlijk verschillend als reproductief geïsoleerd.
De vraag die zich dan opdringt is er een van het type kip en ei:
zijn twee soorten uiterlijk verschillend geworden doordat ze in
het verleden van elkaar geïsoleerd zijn geraakt of is het
andersom: zijn ze geïsoleerd geraakt door hun verschillende
uiterlijk? Met andere woorden: wat zijn de cruciale stappen in
het speciatieproces?
Verschuiving
Crucial steps in speciation was dan ook één van
de twee deelthema's op het vorige week gehouden jaarlijkse symposium
van het Instituut voor Evolutionaire en Ecologische Wetenschappen
(EEW). Zeven lezingen passeerden de revue, vijf van EEW-medewerkers,
twee van buitenlandse gasten. Hoewel de onderwerpen uiteenliepen
van Spaanse sprinkhanen tot zebravinken, waren de diverse sprekers
het over één ding eens: het proces van speciatie
kan direct in het veld of in het laboratorium bestudeerd worden.
Dit suggereert
dat er een verschuiving van interesse is opgetreden bij diegenen
die zich met soortvorming bezighouden. Nog niet zo lang geleden
bewoog dit type onderzoek zich voornamelijk binnen de klassieke
taxonomie (de tak van biologie die zich bezighoudt met het beschrijven
en systematisch rangschikken van soorten en hun verspreidingsgebieden).
De discussies over speciatie betroffen vooral de geografische
context waarin soortvorming zich voltrok, waarbij de grootste
meningsverschillen bestonden omtrent de noodzaak voor geografische
isolatie: kan een nieuwe soort tot ontwikkeling komen terwijl
er nog contact bestaat met de moedersoort of is er altijd isolatie
op een eiland, een bergtop of zo voor nodig?
Inmiddels
is die discussie al aardig uitgewoed: men is het erover eens dat
beide situaties voorkomen, zij het in verschillende mate in de
diverse dier- of plantengroepen. Het lijkt erop, dat vandaag de
dag de nadruk steeds meer gaat liggen op het ophelderen van de
processen die direct betrokken zijn bij soortvorming.
Bastaardering
In dit verband heeft het onderzoek aan hybridisatiezones een grote
vlucht genomen, zo bleek uit de lezing van prof. Roger Butlin
van de Universiteit van Leeds. Hybridisatiezones zijn smalle gebieden
waar twee nauw verwante soorten (zoals de zwarte en bonte kraai)
met elkaar kruisen, zodat een heel scala van tussenvormen ontstaat.
De zwarte kraai en de bonte kraai onderscheiden zich door hun
sterk verschillende verenkleed, maar de twee soorten bastaarderen
in een brede hybridisatiezone in Midden-Europa.
Hoewel het
hier dus gaat om reproductief nog niet geheel gescheiden soorten,
kunnen hybridisatiezones ons wel degelijk iets leren over het
proces van soortvorming. Het geheim zit hem in de mechanismes
die een zone in stand houden. De hybridisatiezone tussen twee
soorten vuurbuikpadden in Polen bijvoorbeeld is zo'n zes kilometer
breed, terwijl de dieren zelf zich in een generatie gemiddeld
één kilometer verplaatsen.
Dit betekent
dat er een nadeel moet kleven aan het bezit van een gemengde set
genen, want anders, wetende dat de zone al minstens 10.000 generaties
oud is, zouden genen van de ene soort veel verder in de andere
soort doorgedrongen zijn. Hier is het dus de (gedeeltelijke) reproductieve
isolatie die de twee soorten gescheiden houdt.
Bij de hybridisatiezone
tussen twee spechtesoorten in Noord-Amerika is het heel anders
gesteld: hier wordt de breedte van de zone bepaald door de breedte
van de Great Plains. De ene spechtesoort is namelijk aangepast
aan de vochtige loofbossen ten oosten hiervan, terwijl de andere
zich beter thuisvoelt in het droge westen. Alleen op de Great
Plains zelf kunnen de dieren hun favoriete biotoop niet vinden
en vindt vermenging plaats.
Nieuwe
ouders
Carel ten Cate, hoogleraar ethologie aan het EEW heeft zo zijn
eigen ideeën over speciatie bij vogels. 'Veel soortvorming
bij vogels zou het gevolg kunnen zijn van imprinting' zegt hij,
doelend op het verschijnsel dat veel vogels hun zang en seksuele
voorkeur leren van de vogels bij wie ze opgroeien. Dat zijn meestal
hun biologische ouders, maar niet altijd. Zelf doet Ten Cate orderzoek
aan de bij volièrehouders populaire zebravinkjes. 'Als
je in een aantal experimenten zowel de normale als de gekweekte
witte vorm van de zebravink laat opvoeden door ófwel witte
ouders ofwel normale ouders, en je stopt die dieren dan bij elkaar
in een kooi, dan zie je, dat ze partners kiezen die lijken op
hun pleegouders'. Een consequentie hiervan is, dat (in een populatie
waar meerdere kleurvormen bestaan) reproductieve isolatie tussen
die vormen zal optreden en er dus speciatie gaande is.
Het grote
probleem bij deze theorie is natuurlijk de vraag: 'Hoe kan een
tweede vorm zich in een populatie vestigen, wanneer niemand hem
als partner wil?'. Maar er blijkt een oplossing te zijn voor dit
probleem. Ten Cate voerde samen met Pat Bateson uit Cambridge
experimenten uit met kwartels. Ze versierden de dieren met zwarte
inktvlekken om zo te kijken welke voorkeuren de dieren ontwikkelden.
Zo bleek bijvoorbeeld dat jongen, opgevoed door ouders met drie
zwarte vlekken, een asymmetrische partnerkeuze vertoonden: ze
kozen liever partners met vier vlekken dan met twee, terwijl beide
in uiterlijk toch evenveel van de ouders afweken. Simulatiemodellen
geven aan dat een dergelijke asymmetrische partnerkeuze het binnendringen
van een nieuwe kleurvorm in een populatie kan vergemakkelijken.
Stills
Helaas was er op het symposium geen tijd gereserveerd voor een
samenvatting of een algemene discussie. De toehoorder kreeg na
verwerking van alle lezingen de indruk dat langzaam maar zeker
steeds meer theoretische modellen verenigd worden met het zo broodnodige
bewijs uit de natuur. De meeste soortvormingsmodellen kùnnen
werken. Probleem blijft natuurlijk dat soortvorming in het algemeen
een traag proces is. Het is in een biologenleven niet van begin
tot eind te volgen, en dus weten de onderzoekers nooit zeker of
wat ze waarnemen ook daadwerkelijk onderdeel uitmaakt van een
speciatieproces. Het is alsof je kijkt naar de stills in de vitrine
van een bioscoop. Met een beetje fantasie kun je er de plot van
de film uit afleiden, maar helemaal zeker weten doe je dat nooit.
|