© Copyright Menno Schilthuizen

Kwartels smullen van nep-lieveheersbeestjes

MENNO SCHILTHUIZEN

(Oorspronkelijk verschenen in Mare, 26 januari 1995.)

Lieveheersbeestjes hebben vanwege hun vrolijke rood-zwart tekening een voor insekten hoge aaibaarheidsfactor. Het opvallende uiterlijk van de kevertjes is in feite echter een waarschuwing voor insektenetende vogels dat ze giftig zijn.

Het bekende tweestippige lieveheersbeestje (Adalia bipunctata) bijvoorbeeld bevat adaline, dat hij in de vorm van gele druppeltjes 'reflexbloed' kan uitscheiden. Adaline is een alkaloïde, en behoort dus tot dezelfde groep van chemische verbindingen als cocaïne, morfine en het pijlgif curare. Meer dan één procent van het lichaamsgewicht van een lieveheersbeestje kan uit adaline bestaan.

Het aanmaken van deze gifstof kost veel energie, en te verwachten valt dat de kevertjes hiervoor een prijs betalen in de vorm van een lagere groeisnelheid en lichaamsgewicht.

De Leidse evolutiebiologen Holloway, De Jong en Ottenheim publiceerden onlangs in het toonaangevende tijdschrift Evolution over hun onderzoek naar deze kwestie. Ze kweekten een goot aantal tweestippige lieveheersbeestjes en molken hun met miniatuur-pipetjes reflexbloed af. De hoeveelheid reflexbloed en de adalineconcentratie daarin werden vergeleken met lichaamsgewicht en groeisnelheid.

Tegen hun verwachting in vonden de onderzoekers geen significante negatieve correlaties: individuen die veel energie staken in hun afweer, leken niet slechter af dan individuen die dat niet deden. Voor wat betreft de hoeveelheid reflexbloed valt dat eenvoudig te verklaren: lieveheersbeestjes eten bladluizen en deze 'zakjes water op pootjes' zijn normaliter in zulke aantallen voorhanden dat de lieveheersbeestjes altijd voldoende vloeistof binnenkrijgen.

Anders ligt het met de adalineproduktie zelf. Mogelijk is er sprake van 'constraints': ingewikkelde samenhangen tussen eigenschappen van een dier, die maken dat een afzonderlijk kenmerk (zoals bijvoorbeeld groeisnelheid) niet zomaar kan veranderen. De onderzoekers hebben aanwijzingen dat zulke constraints in ieder geval bij de mannetjes een rol spelen. Het blijft echter een open vraag ten koste waarvan de hoge adalineproductie dan wel gaat.

In een andere recente publicatie in Animal Behaviour rapporteren drie andere Leidse biologen, Marples, Van Veelen en Brakefield hun werk aan het zevenstippige lieveheersbeestje, Coccinella septempunctata. De onderzoekers vroegen zich af welk aspect van lieveheersbeestjes voor vogels het meest afschrikwekkend was: de kleur of de smaak? Marples et al. deden proeven met Japanse kwartels. Ze verdeelden de vogels in vier groepen en leerden hen om zevenstippige lieveheersbeestjes te vermijden.

Enige maanden later kreeg iedere groep in twee sessies door de onderzoekers gemanipuleerde prooien aangeboden, waarbij in de tweede sessie steeds een van de mogelijke waarschuwingselementen was veranderd. Zo aten de kwartels in de eerste sessie zonder veel problemen een andere (eetbare) keversoort, ook wanneer die besmeerd was met lieveheersbeestjesreflexbloed.

Wanneer echter bij de tweede sessie deze eetbare kevers de rood-zwarte dekschildjes van lieveheersbeestjes kregen opgeplakt, moesten ze opeens niets meer van deze prooi weten. Toch was de kleur alleen geen afdoende bescherming: wanneer het reflexbloed werd weggelaten, hadden de vogels al snel door dat de nep-lieveheersbeestjes goed te eten waren. De biologen concluderen dan ook, dat het vooral het kleurpatroon van lieveheers-beestjes is dat predatoren op een afstand houdt. Om te zorgen dat dit dreigement zijn effect niet verliest, blijven de kevertjes ook hun smaak nog nodig hebben. Een teerd op smaak die, zo melden de onderzoekers uit eigen ervaring, ook voor mensen onaangenaam is.



   
Copyright©2004 Schilthuizen.org