|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Rare snuiters
vinden onderdak bij de olifant
Dierkundigen
zijn het traditioneel oneens over de stamboom van de zoogdieren.
Vroeger ontleenden ze hun argumenten alleen aan de bouw van de
beesten, maar eiwit- en DNA-onderzoek hebben een nieuw tijdperk
ingeluid. Zo hebben de gouden mol, de klipdas en de olifantsspitsmuis
eindelijk hun familie teruggevonden.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant, 2 augustus 1997.)
Van al het
gedierte dat op aarde rondloopt, vliegt, kruipt en glibbert, zijn
zoogdieren wel het meest uitputtend bestudeerd. Al eeuwenlang
houden duizenden wetenschappers zich met niets anders bezig dan
de klasse van het dierenrijk waartoe ook mensen behoren.
Zoogdieren
worden geobserveerd, in dierentuinen gestopt; gekweekt, opengesneden
en opgezet. Hun skeletten worden in plakjes gesneden en paleontologen
reizen naar alle uithoeken van de wereld om hun fossielen op te
graven. Kortom, zoogdieren en hun evolutie zijn een open boek,
zou je zeggen.
Toch bestaan
er nog steeds verschillende soorten waar de dierkundigen geen
raad mee weten. Neem nou de klipdassen. Leuke wollige beestjes
uit de bergen van Afrika en het Nabije Oosten. Ze komen zelfs
in de Bijbel voor onder de naam Saphan (door Luther later vrijelijk
als 'konijn' vertaald). De Duitse natuurvorser Brehm schreef honderd
jaar geleden al wanhopig: Ten aanzien van de plaats die deze lieftallige
rotsbewoners in de klasse der Zoogdieren moeten innemen, heeft
te allen tijde verschil van mening geheerscht.'
En 25 jaar
geleden, toen biochemicus W. de Jong zich bij toeval begaf op
het glibberige terrein van de klipdassensystematiek, was het al
niet veel beter gesteld. De jong, nu hoogleraar aan de Katholieke
Universiteit Nijmegen, is gespecialiseerd in alfa-kristalline,
het eiwit waaruit ooglenzen bestaan. Hij had in die tijd net de
volgorde van de aminozuren (de bouwstenen waaruit eiwitten zijn
opgebouwd) in alfa-kristalline bestudeerd bij een reeks van zoogdieren,
waaronder een klipdas.
De jong:
'Ik ontdekte dat zowel olifanten als klipdassen drie aminozuren
hebben die ontbreken bij alle andere zoogdicren. Nou, daar was
ik best trots op, dus op een congres hield ik een lezing waarin
ik meldde dat klipdassen en olifanten thuishoren in dezelfde diergroep,
de zogenoemde paenungulaten.'
Maar De Jong
werd direct aangevallen door een Duitse dierkundige, die vond
dat klipdassen bij de evenhoevigen (onder meer herten, kamelen
en schapen) moesten horen, omdat ze allebei een zogenoemde eustachian
sack bezitten, een verwijding in de gehoorbuis.
'Die man
vond dat drie aminozuren het niet hálen bij een eustachian
sack', herinnert De Jong zich. 'Best begrijpelijk dat hij gepikeerd
was, natuurlijk: ik had nog nooit een klipdas gezien, terwijl
die man er zijn hele leven aan had gewerkt. Later hoorde ik trouwens
tot mijn genoegen dat ook fossiele olifanten zo'n verwijding in
de gehoorbuis hebben.'
Inmiddels
zijn de meeste wetenschappers er wel van overtuigd dat eiwit-
en DNA-onderzoek waardevolle informatie over de stamboom van de
zoogdieren kunnen opleveren. Zo werd begin dit jaar op basis van
DNA-gegevens bekendgemaakt dat het vogelbekdier bij de buideldieren
hoort en niet, zoals meestal werd beweerd, in een aparte groep.
Hiermee werd een vijftig jaar oude theorie van de dierkundige
W. Gregory weer nieuw leven ingeblazen.
Andere dieren
die vanwege hun DNA gedwongen zijn verhuisd binnen de stamboom,
zijn de cavia (vroeger bij de knaagdieren, nu op een tak ernaast
geplaatst) en de konijnen en hazen. Die laatste blijken volgens
vorig jaar gepubliceerd onderzoek dichter bij de apen te staan.
Maar, zo zegt De Jong: 'Daar is men nog niet helemaal uit.'
In 1983 wist
De jong een andere verschoppeling een plaats in de stamboom te
geven. 'Vanwege mijn ooglens-onderzoek had ik contact met dierentuinen
en op een gegeven moment belde Artis dat er een aardvarken was
doodgegaan. Dat was natuurlijk een buitenkansje.'
Ondanks hun
naam zijn aardvarkens geen varkens. Maar dat is dan ook alles
waar de wetenschap het over eens is. In de vorige eeuw werden
ze bij de insecteneters gegroepeerd, want, inderdaad, ze eten
insecten. Daarna werden de dieren overgeplaatst naar de Zuidamerikaanse
miereneters, om vervolgens opnieuw te worden versleept, dit keer
naar de hoefdieren, vanwege fossielen en de bouw van het embryo.
Maar de meeste handboeken houden het gewoon op: aardvarkens hebben
geen directe verwanten.
Tot De Jongs
verrassing bleek het oogeiwit van het aardvarken duidelijke taal
te spreken: het beest was geen insecteneter, geen miereneter en
ook geen hoefdier, maar wederom een nauwe verwant van de olifanten.
'Sommige paleontologen zeiden toen dat dat helemaal niet zó
idioot was, want hun skeletbouw komt overeen.'
En in een
publicatie in Nature van 3 juli maken De Jong, diens promovendus
O. Madsen en collega's van de universiteiten van Californië
en Belfast, bekend dat de groep van de olifanten moet worden uitgebreid
met nog eens twee rare snuiters. Een nieuwe analyse van de DNA-volgorde
van drie verschillende genen toont aan dat behalve de klipdassen
en het aardvarken ook de zogeheten gouden mol en de olifantsspitsmuis
bij de paenungulaten thuishoren.
De Jong:
'De olifantsspitsmuis is een soort spitsmuis met een slurfje,
dat hij gebruikt om insecten mee te zoeken. Je ziet hem wel eens
in de films van David Attenborough. Hij was door zoölogen
bij de insecteneters gezet. Maar ik had uit eerder onderzoek al
aanwijzingen dat dat niet kon kloppen. En voor de gouden mol,
een Zuid-Afrikaans gravertje, gold eigenlijk hetzelfde.'
De onderzoeker
denkt dat de nieuwe stamboom ook licht kan werpen op het ontstaan
van de fauna van Afrika. 'Al die gekke beesten, aardvarken, olitantsspitsmuis
en gouden mol zijn zogenoemde endemen: ze komen alleen in Afrika
voor en nergens anders. Zo'n honderd miljoen jaar geleden brak
Afrika los van wat nu Zuid-Amerika heet en het werelddeel heeft
toen tientallen miljoenen jaren geïsoleerd rondgedreven.
'We denken
nu dat de voorouder van de paenungulaten al in Afrika aanwezig
was toen het continent afgescheiden raakte. Dat beest zat op dat
eiland en heeft als het ware zijn tijd nuttig gebruikt door zich
te splitsen in al die rare soorten, inclusief de olifanten en
de zeekoeien, die ook bij die groep horen. Toen Afrika tegen Europa
botste, hebben olifanten zich ook over Europa en Azië verspreid,
en de zeekoeien zwommen gewoon weg, maar de rest is in Afrika
gebleven.'
De Jong is
blij dat biochemische gegevens steeds meer toepassing vinden in
de evolutiebiologie. 'Het prettige ervan is dat het objectieve
gegevens oplevert. Of je je onderzoek nu uitvoert in Nederland,
de Verenigde Staten of Japan, je krijgt steeds hetzelfde resultaat.
Met gegevens uit de lichaamsbouw is dat niet zo. Dierkundigen
zijn het zelden eens over de interpretatie van tanden en botten.'
|