© Copyright Menno Schilthuizen

Meneer Gould koestert zijn onderbuikaffecties

Vorige week was de spraakmakende Amerikaanse schrijver-bioloog Stephen Jay Gould een paar dagen stilletjes in Nederland. Om er een jubileum van het Nationaal
Natuurhistorisch Museum te vieren, collega's te spreken, te worstelen met lastige pers en weerbarstige spreekgestoelten. En om een lans te breken voor de kunst van het bewaren.

MENNO SCHILTHUIZEN

(Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 28 oktober 1995.)

Wat? Het Pesthuis? Moet ik straks spreken in een pesthuis?' Gould gooit zijn bestek neer en schuddebuikt van het lachen. 'Ik houd een lijstje bij van de meest bizarre plaatsen waar ik voordrachten heb gehouden, en het Leidse Pesthuis komt zeker in de top tien', kondigt hij aan. Op de vraag welke locatie op nummer één staat antwoordt hij: 'De kamer waar Darwin gestorven is. Maar dat vertelden ze me pas achteraf.'

Het is donderdag 19 oktober. In een zijzaaltje van de Leidse Universitaire Mensa in de Kaiserstraat neemt de Amerikaanse bioloog en schrijver Stephen Jay Gould deel aan een lunch, samen met een dozijn Leidse vakgenoten.

Gould, bekend van een lange reeks boeken over evolutie (Ever Since Darwin, The Panda's Thumb en Wonderful Life zijn enkele van de meer bekende) is twee dagen in ons land ter gelegenheid van het 175-jarig bestaan van het Nationaal Natuurhistorisch Museum (NNM).

Een week daarvoor was eindelijk, na een lange reeks inspraakprocedures van omwonenden, de eerste paal geslagen voor de nieuwbouw van het NNM. Het nieuwe museum wordt, via een nog nader te ontwerpen loopbrug, verbonden met het ernaast gelegen historische Pesthuis. Dat het niet bij die ene heipaal blijft, is tijdens de jubileumdag duidelijk te horen. Gelukkig voor Gould, geprogrammeerd voor het eind van de middag, leggen Nederlandse bouwlieden het werk tegen vieren neer, zodat de honderdvijflig genodigden in alle rust zijn voordracht over The Glory and Importance of Natural History Collections and Exhibits kunnen beluisteren.

Dat Gould geen gemakkelijk man is, blijkt nog voor hij goed en wel begint. Nadat hij eerst de fotografe gedwarsboomd heeft ('Het is mijn werk maar', protesteert ze. En Gould: 'My job is to avoid people like you!'), moet vervolgens de dia-operateur het ontgelden. Zichtbaar geïrriteerd worstelt Gould minutenlang met diens onbegrip en met de afstandsbediening. Als de projector dan uiteindelijk werkt, is er weer iets anders dat hem stoort: het leeslampje op het spreekgestoelte. Ongeduldig sjort hij het ding van zijn sokkel. Dan barst hij los.

De 54-jarige Harvard-professor spreekt in lange, zorgvuldig geconstrueerde volzinnen, vrijwel zonder pauze. Aan het eind van iedere zin stijgt zijn intonatie op een Joop van Zijl-achtige manier, zodat hij zijn volgende mededeling er zonder onderbreking op kan aansluiten. Zijn woordkeus is, net als in zijn boeken, moeilijk en gevarieerd, zijn zinnen wemelen van idiosyncrasy (eigenaardigheid) en disparity (ongelijkheid).

Gould begint met een uitgebreid exposé van de fossielen van de Burgess Shale, een vindplaats in Canada, het onderwerp van zijn boek Wonderful Life. Deze 515 miljoen jaar oude fossielen hebben, dank zij het werk van drie Engelse collega's van Gould, onze kijk op de evolutie behoorlijk veranderd.

Niet alleen toonden ze aan dat vrijwel alle hedendaagse diergroepen in een bestek van enkele miljoenen jaren ontstaan zijn, bovendien bevinden zich in de Burgess Shale organismen die niet te plaatsen zijn in de moderne groepen. Voor Gould een aanwijzing dat de geschiedenis van het leven een grote 'loterij' zou zijn geweest: sommige ontwerpen hebben gewonnen, sommige verloren, maar van tevoren was niet te voorspellen welke dat zouden zijn.

Gould: 'Vandaag de dag zijn de Burgess fossielen hot stuff. Maar dat is niet altijd zo geweest. Veertig jaar lang hebben ze in een museum in Washington gelegen. Hebben ze ongebruikt stof liggen vergaren en ruimte in beslag genomen. Had men toen gezegd: "ach, gooi het hele zooitje toch weg", dan hadden die onderzoekers nooit hun radicale ideeen kunnen ontwikkelen.'

Nadat hij met dit en een aantal andere voorbeelden het belang van natuurhistorische collecties heeft aangetoond, stapt Gould over naar een minder grijpbaar aspect: onze liefde en passie voor verzamelingen. Datgene wat Gould onze 'onderbuikaffectie voor specimens' noemt. 'Waarom verzamelen we? Waarom willen we objecten zo graag hebben?' En hij geeft meteen het antwoord: 'Ik weet het niet!'.

Maar als iemand een antwoord op deze vraag weet, dan is dat toch Could. Samen met de fotografe Rosamond Purcell publiceerde hij drie jaar geleden Finders, Keepers. In dit weinig bekende boek gaat hij op zoek naar de zieleroerselen van acht verzamelaars, van de 17de tot de 20ste eeuw.

Gould: 'Rosamond en ik kwamen tot de conclusie dat er wel honderd motieven zijn om objecten van natuurlijke historie te vergaren. Tsaar Peter de Grote bijvoorbeeld, was een bruisend en energiek man. Naast het meesterlijk beoefenen van naar eigen zeggen vijftien ambachten, was hij ook een gepassioneerd verzamelaar. Van alles wilde hij het mooiste, het gekste, het meest bizarre hebben.'

En op het doek verschijnt een van Purcells opnames: een collectie menselijke kiezen, elk netjes vastgebonden in een genummerd vakje. Gould: 'Peter de Grote beoefende ook de tandheelkunde. Eén van zijn hobby's was het trekken van kiezen van vrienden, familie en toevallige passanten. Nummer 45 bijvoorbeeld, is volgens de lijst afkomstig van "een snel lopende boodschappenjongen". En altijd denk ik: toch niet snel genoeg!'

Het gelach in de zaal verstomt abrupt als bij de volgende dia het gezicht van een baby op sterk water de zaal inkijkt. Een preparaat van de Amsterdamse anatoom Frederik Ruysch, wiens collectie door Peter de Grote werd gekocht voor het toen enorme bedrag van 30 duizend gulden.

'Ruysch was in veel opzichten Peters tegenpool', legt Gould uit. 'Hij was geduldig, zorgvuldig en toegewijd. In zijn lange leven maakte hij talloze anatomische preparaten die op een modern toeschouwer eerder macaber dan wetenschappelijk overkomen. Maar de esthetica van die tijd was anders dan nu, zeker waar het de dood betrof.'

Dan vertoont hij een serie schitterende foto's van geprepareerde paradijsvogels, afkomstig uit de collectie van Lord Rothschild. Het hart van deze machtige miljonair (bankier, politicus en met zijn driehonderd pond ook als persoon enorm) lag eigenlijk bij vogels en vlinders. Zijn collectie paradijsvogels omvatte duizenden exemplaren, van vrijwel alle bekende soorten. Rothschild verzamelde vooral grote series om variatie in kleurpatronen vast te leggen. Daarom wordt de Rothschild-collectie door ornithologen nog steeds beschouwd als een van 's werelds belangrijkste vogelverzamelingen, onschatbaar voor onderzoek aan taxonomie en evolutie.

Een ander soort onderbuikaffectie, maar dan meer bij het publiek dan bij de verzamelaar zelf, heeft te maken met authenticiteit. Men wil geen kopieën zien maar altijd het originele exemplaar.

Gould heeft er een aardig verhaal over: 'Een groep blinden bezocht onlangs het Air & Space Museum in Washington. De objecten--vliegtuigen, raketten--hangen daar buiten bereik, aan kabels aan het plafond. Voor blinden is er dus niets aan. De museumdirectie vroeg of schaalmodellen van de toestellen konden helpen. De blinden antwoordden: Ja, maar plaats ze dan direct ónder de echte objecten!'

Gould: 'Dit verhaal laat zien, dat het tonen van authentieke specimens de belangrijkste functie van musea is. Dit moeten we niet verloochenen. Ik houd niet zo van alle toeters en bellen van veel moderne musea. Natuurlijk, je moet moderne apparatuur gebruiken. Maar het centrum van de aandacht moeten toch de objecten zijn, en niet Disneyland-achtige attracties.'

Prof. dr E. Gittenberger, Goulds gastheer, is het daarmee eens. 'Een paar jaar geleden organiseerde het NNM een tentoonstelling waar de oorspronkelijke fossielen van de Javamens te zien waren. Het publiek vroeg keer op keer of het geen afgietsels waren. En als je dan vertelde dat het echt de originelen waren, dan werden ze opeens met heel andere ogen bekeken. Vanochtend hebben we diezelfde fossielen nog eens opgezocht in de collectie. En zelfs Gould zei me, dat dat de reis naar Leiden al meer dan waard had gemaakt.'

 

 

   
Copyright©2004 Schilthuizen.org