|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Het wonder
in de appelboom
Waarom bestaan
er toch zo verbijsterend veel planten- en diersoorten? Omdat nieuwe
soorten veel makkelijker ontstaan dan we vroeger dachten, zeggen
biologen. Het kan in elke achtertuin gebeuren.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 1 oktober 1998.)
Even nog
houdt hij de spanning erin, dan schuift hij voorzichtig de lade
uit de kast. Bataljon na bataljon minuscule kevertjes komen tevoorschijn,
elk opgeplakt op een klein puntkartormetje en voorzien van een
etiketje met vooroorlogse kalligrafie ('Doorwerth, 1896'). Hun
zwarte dekschildjes blinken nog net zo metallisch als een eeuw
geleden en aan hun lang uitgetrokken neuzen is te zien dat het
hier snuitkevers betreft, de Pinocchio's onder de insecten. Het
zijn, zegt Theodoor Heijerman met schaamteloos snuitkever-chauvinisme,
'de meest fascinerende dieren op aarde'.
Heijerman
is entomoloog aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, waar hij
onderzoek doet aan de verspreiding van Nederlandse snuitkevers.
Behalve hun koddige uiterlijk zijn er nog andere eigenschappen
van snuitkevers die hem fascineren.'Ten eerste zijn er zo ontzettend
veel verschillende soorten', zegt hij. Alleen al in Nederland
bijna zeshonderd, en wereldwijd zeker zestigduizend.'
Een tweede
eigenaardigheid is hun soms extreme kieskeurigheid wat voedsel
betreft. 'Dit bijvoorbeeld', zegt Heijerman, terwijl hij een kevertje
van zo'n twee millimeter lang aanwijst, zwart met gele sprieten
en poten, 'is Apion gracilipes. Die leeft uitsluitend op bochtige
klaver.' Zijn buurman, Apion flavipes, die er net zo uitziet maar
dan met zwarte sprieten, heeft een iets andere smaak en is alleen
te vinden op witte klaver. Zulke voedselspecialisatie (monofagie)
is schering en inslag onder snuitkevers. Trouwens, bij veel andere
plantenetende kevers ook.
Heijerman
is in goed gezelschap. Want zowel Charles Darwin als Alfred Russel
Wallace, de negentiende-eeuwse natuurvorsers die onafhankelijk
van elkaar de wetten van de natuurlijke selectie ontdekten, hadden
(in de woorden van Wallace) 'een kinderlijke passie voor kevers'.
En voor Wallace stond het vast dat hun interesse voor een zo veelvormige
diergroep ervoor gezorgd had dat zij beiden gingen nadenken over
evolutie, over 'het ontstaan der soorten'.
Paradijsvogels
Toch is het een goed bewaard geheim onder biologen dat Darwins
boek, ondanks de titel, maar bitter weinig te melden heeft over
het ontstaan van nieuwe soorten. Darwin en Wallace ontdekten hoe
soorten veranderen onder invloed van natuurlijke selectie; bijvoorbeeld
hoe een gevleugelde keversoort kan overgaan in een ongevleugelde,
wanneer dat gunstig is in het milieu waar het dier leeft (zeg
een winderig eiland waar je makkelijk vanaf waait).
Maar het
opsplitsen van soorten, het uit één vooroudersoort
ontstaan van twee of meer verschillende dochtersoorten, dat is
iets waar Darwin nooit goed vat op heeft weten te krijgen. Darwin
noemde het 'divergence of character', maar hedendaagse biologen
spreken liever over 'soortvorming'. En soortvorming, de oorzaak
van het verbluffende aantal planten en dieren dat we heden ten
dage kennen, is nog altijd een groot mysterie.
Een van de
belangrijkste denkers over soortvorming was de Duitser Ernst Mayr.
De nu 94-jarige Harvard-professor in ruste bracht als jonge ornitholoog
vele jaren door in Nieuw-Guinea, waar hij paradijsvogels verzamelde
voor het privé-museum van Lord Rothschild. Op de archipels
van de Stille Zuidzee was hij bovendien leider van een expeditie
van het American Museum of Natural History.
In de jaren
dertig, toen Mayr conservator was bij dezelfde twee musea waarvoor
hij op pad was geweest, begon hij langzaamaan zijn soortvormingstheorieën
te ontwikkelen. Zo viel het hem op dat twintig procent van de
vogels van de Salomons Eilanden slechts voorkomt op één
of enkele van die eilanden. In Mantsjoerije, een continentaal
gebied van dezelfde afmeting, is die opsplitsing niet te zien;
soorten die daar voorkomen, bewonen zo ongeveer het hele gebied.
Blijkbaar, concludeerde Mayr, was het feit dat de meeste zeestraten
in de archipel voor vogels te breed zijn om over te steken, de
oorzaak geweest van het ontstaan van nieuwe soorten. Mayr noemde
dit proces 'allopatrische soortvorming', naar het Griekse allos
(ander) en patra (vaderland).
In de jaren
veertig en vijftig ontwikkelde Mayr zijn theorie verder. Hij stelde
zich voor dat groepen dieren of planten die afgescheiden worden
door geografische barrières (zoals rivieren, bergketens,
gletsjers of woestijnen), genetisch geïsoleerd raken van
de populatie waaruit ze afkomstig zijn. Daardoor kunnen ze in
een andere richting gaan evolueren, door aanpassing aan de plaatselijke
omstandigheden, of gewoon door toevalsprocessen. Wanneer vervolgens
de barrière weer verdwijnt, kunnen de twee populaties inmiddels
genetisch zo sterk verschillen dat ze niet meer kunnen kruisen
en dus tot twee verschillende soorten zijn gaan behoren.
De miljoenen
soorten die we tegenwoordig zien, zouden dus het gevolg zijn van
talloze overstromingen, vulkaanuitbarstingen, en ander natuurgeweld.
Zonder geografische isolatie is soortvorming onmogelijk, dacht
Mayr, omdat een mutatie die kruising met de rest van de populatie
verhindert, onmiddellijk zal uitsterven (moderne computermodellen
hebben inmiddels uitgewezen dat dat niet altijd zo hoeft te zijn.)
In 1963 legde
Mayr zijn theorie, gelardeerd met talloze overtuigende voorbeelden,
neer in het boek Animal Species and Evolution. Hierin liet hij
er geen twijfel over bestaan dat allopatrische soortvorming de
voornaamste, zo niet de enige manier was waarop in de natuur nieuwe
soorten ontstaan.
Snelwerkend
insecticide
Terug naar de kevers. De legende wil dat de Britse geneticus J.B.S.
Haldane, toen een priester hem vroeg wat zijn studies hem hadden
geleerd over de Schepper, antwoordde: 'Hij heeft in ieder geval
een bijzondere voorliefde voor kevers.' Het aantal torrensoorten
is inderdaad ontstellend hoog. Momenteel zijn zo'n vierhonderdduizend
soorten bekend, maar de schattingen over het werkelijke aantal
soorten lopen sterk uiteen.
Eind jaren
zeventig besloot de Amerikaanse entomoloog Terry Erwin een einde
te maken aan deze onzekerheid. Hij trok naar het Panamese oerwoud
en plaatste grote plastic trechters onder een aantal exemplaren
van een bepaalde boomsoort. Vervolgens blies hij een wolk snelwerkend
insecticide in elk van de bomen en ving alle insecten op die naar
beneden kwamen regenen, waarna hij de plantenetende kevers eruit
viste en sorteerde. Het resultaat: 682 verschillende soorten.
En dat uit één boomsoort.
Op basis
van andere gegevens schatte Erwin dat zo'n twintig procent (dus
pakweg 140 soorten) monofaag was, dus alleen op die ene boomsoort
voorkwam. Als alle vijftigduizend tropische boomsoorten die bekend
zijn evenveel monofage keversoorten herbergen. betekent dit dat
er alleen al in de tropen ongeveer zeven miljoen verschillende
monofage, plantenetende kevers bestaan.
Geen wonder
dat entomologen zich gingen afvragen of dat allemaal aan allopatrische
soortvorming te danken kon zijn. Zouden die miljoenen soorten
nu werkelijk allemaal stuk voor stuk geïsoleerd zijn geweest
door bergketens of waterstromen? Nee, beweren sommige biologen,
zulke dramatische verklaringen voor de biodiversiteit zijn helemaal
niet nodig. Hun alternatieve theorie, die de laatste tien jaar
sterk in opkomst is, heeft al voor heel wat wetenschappelijk handgemeen
gezorgd. Toch werd deze theorie heel rustig geboren: in een Amerikaanse
boomgaard, halverwege de negentiende eeuw.
Mazelen
In 1864 ontdekte Benjamin Walsh, een dominee met belangstelling
voor insecten, dat een nieuwe plaag zich had gemanifesteerd in
appelboomgaarden in de buurt van NewYork. De boosdoener bleek
een nog onbekende fruitvliegensoort, die hij Rhagoletis pomonella
noemde. Al gauw kwam Walsh erachter dat een ander ras van de vliegensoort
leefde op meidoorns in dezelfde boomgaarden.
Nu komen
appels van oorsprong niet voor in Noord-Amerika; ze reisden mee
met de eerste Europese kolonisten. En dus, zo speculeerde Walsh
opgewonden in een artikel dat hij over de vliegen schreef, moest
de appelvlieg recentelijk zijn overgestapt van de meidoorn op
de appel, en was hij zich nu aan het ontwikkelen tot een aparte
soort. Volgens Walsh was er dus soortvorming zónder dat
er sprake was van geografische isolatie. Het was een van de eerste
theorieën van wat later sympatrische soortvorming zou gaan
heten.
Maar de tijd
was er, amper vijf jaar na The Origin of Species, nog niet rijp
voor.
Het duurde bijna een eeuw eer Rhagoletis weer van zich liet horen.
Allopatrische soortvorming was nu eenmaal een dogma, al klaagde
Mayr er in zijn Animal Species and Evolution wel over dat er telkens
weer mensen waren die dachten dat soortvorming ook kon plaatsvinden
zonder geografische isolatie. 'Sympatrische soortvorming', schreef
hij, 'is als de Hydra van Lerna die twee nieuwe koppen kreeg wanneer
er een werd afgehouwen.'
De ironie
wilde dat die Hydra incarneerde in een van Mayrs eigen promovendi.
'Ik was een doctoraalstudent van Mayr in 1961', vertelt Guy Bush,
nu hoogleraar aan Michigan State University, over de telefoon.'Voor
mijn doctoraalscriptie had ik de literatuur over sympatrische
soortvorming bestudeerd en ik stelde Mayr voor om mijn promotie
aan Rhagoletis te doen. "Goed idee!", zei Mayr, "laten
we die kwestie eindelijk eens uit de wereld helpen."'
Maar het
zou anders lopen. Tijdens zijn onderzoek raakte Bush ervan overtuigd
dat Walsh het wel degelijk bij het rechte eind had gehad. En hoewel
hij uit handen van Mayr bleef (die was op vakantie ten tijde van
Bush' promotie), ondervond hij veel weerstand van gevestigde evolutiebiologen.
De meeste van zijn collega's beschouwden sympatrische soortvorming
als 'een ketterse, ongefundeerde droom'. En de gevierde Theodosius
Dobzhansky zei na Bush' eerste lezing op een wetenschappelijk
congres: 'Ik geloof er niks van. Sympatrische soortvorming is
als de mazelen: we krijgen het allemaal en het gaat altijd weer
over.'
Maar Bush
zette door. Eind jaren zeventig had hij aangetoond dat de appel-
en meidoornvliegen iets verschilden in de lengte van hun legboor,
voor Bush een aanwijzing dat ze genetisch verschillend waren.
Verder bleek er zo'n drie weken verschil te zitten in de tijden
van het jaar waarop de twee rassen uitkomen, wat mooi correspondeerde
met de tijd waarin ook hun respectievelijke voedselvruchten rijp
zijn. Voor Bush betekende dit dat de meidoornvlieg niet simpelweg
zijn menu had uitgebreid met appel, maar dat de appelvlieg al
duidelijk een soort in spe was, die zich aan zijn nieuwe voedselplant
had aangepast.
Niet iedereen
was overtuigd. Douglas Futuyma, een evolutiebioloog van de State
University of NewYork, vertelt 'Toentertijd had Bush veel intuïtie,
maar weinig harde gegevens.' In 1980 viel Futuyma Bush scherp
aan in een artikel in Systematic Zoology. Zo ontbrak volgens hem
een van de meest essentiële gegevens, namelijk of de voedselvoorkeur
van de twee rassen genetisch bepaald was. 'Want voor evolutie
zijn erfelijke verschillen nodig. Als de nakomelingen van de appelvliegen
weer vrolijk eitjes gaan leggen op meidoorn en vice versa, dan
kan er nooit sprake zijn van soortvorming. Het was dus een heel
belangrijk gegeven dat Bush met een eenvoudig proefje had kunnen
aantonen', zegt Futuyma.
Futuyma's
collega John Jaenike deed daar een jaar later nog een schepje
bovenop. In een artikel in The American Naturalist toonde hij
aan dat Bush' troefkaart, de verschillende tijd van het jaar waarin
de appel- en meidoornvliegen verschijnen, gebaseerd was op een
cirkelredenering. Want ook de vruchten van de twee voedselplanten
zijn in verschillende tijden van het jaar rijp. Er zijn gewoon
de hele zomer lang vliegen, die net zo lief op meidoorn als op
appel hun eitjes leggen. Maar eind juli vinden ze alleen maar
appels en half augustus alleen maar meidoornbesjes. Dus helemaal
geen soortvorming in spe, gewoon een wat weinig kieskeurige populatie
meidoornvliegen, wat Jaenike betreft. En die verschillen in de
lengte van de legboor, dat zou best kunnen komen doordat appels
nu eenmaal wat voedzamer zijn en daardoor wat grotere vliegen
met grotere legboren opleveren, dacht Jaenike.
Driehonderd
generaties
'In eerste instantie was ik kwaad', geeft Bush toe. Maar al snel
begon hij de missende stukjes in de puzzel te zoeken. Ook ging
hij samenwerken met andere wetenschappers. Ron Prokopy van de
University of Massachusetts toonde aan dat de voedselvoorkeur
van de vliegen wel degelijk een genetische basis had: de nakomelingen
van een appelvlieg legden hun eieren ook op appel. En David Smith
van de Universiteit van Utah liet appel-en meidoornvliegen eieren
leggen op een kunstmatige voedingsbodem, die hij vervolgens onder
exact dezelfde omstandigheden liet opgroeien. En toch bleken de
vliegen die uit appel afkomstig waren drie weken eerder te ontpoppen
dan die van meidoorn.
Bovendien
ontdekte Bush' promovendus Jeffrey Feder dat de twee rassen genetische
verschillen hebben op drie van hun chromosomen. Toen al die bevindingen
in november 1988 in Nature verschenen, zei een commentator in
hetzelfde nummer vol ontzag: 'Het lijkt erop dat de beschermheilige
van de soortvorming toch sympatrisch is!'
Alle verschillen
tussen het appel- en het meidoornras moeten dus geëvolueerd
zijn tussen de zeventiende eeuw, toen appels hun intrede in Amerika
deden, en nu. Zo'n luttele driehonderd vliegengeneraties. En hoewel
Feder een paar jaar geleden aantoonde dat de
soortvorming nog niet helemaal compleet is (zo'n zes procent van
de appelvliegen paart met meidoornvliegen en vice versa), is het
toch verbazingwekkend snel.
'Eigenlijk
zou je verwachten dat sympatrische soortvorming een langzaam proces
is', zegt Feder nadenkend. 'Omdat het tegen de stroom moet opzwemmen.
Want opgehoopte verschillen verwateren voortdurend weer doordat
de twee nieuwe vormen met elkaar kruisen.' Maar ook onderzoek
naar de sympatrische soortvorming bij vissen lijkt te wijzen in
de richting van fenomenaal snelle evolutie.
Waterval
Het Zoölogisch Instituut van de Universiteit van München
is gevestigd in een grijs gebouw aan de lommerrijke Luisenstrasse.
Op de tweede verdieping, in een lab volgestouwd met apparatuur,
computers en potjes vissen in formaline, werkt Uli Schliewen,
een promovendus van moleculair bioloog Diethard Tautz. 'Ik was
als scholier al geïnteresseerd in cichliden , zegt Schliewen,
wijzend op de baarsachtige visjes op sterk water. 'Ik heb een
aantal boeken voor aquariumhouders geschreven en toen ik als student
hoorde over de cichliden van Kameroen, klopte ik aan bij professor
Tautz, met de vraag of ik daar een afstudeeronderzoek kon doen.'
Dat mocht,
en dankzij een bescheiden reisbeurs van het weinig voor de hand
liggende bedrijf Maizena ('daar heb ik connecties', bekent Schliewen)
kon hij in 1989 een eerste reis maken naar de kratermeren van
Kameroen. Op een topografische kaart wijst Schliewen een piepklein
lichtblauw vlekje aan, een van de veertig met water gevulde restanten
van vulkaankraters die het Afrikaanse land rijk is. 'Dit is Bermin,
zegt hij, 'een meertje van amper een halve vierkante kilometer
groot en maar zestien meter diep. Als je in Bermin gaat duiken,
kom je negen soorten cichliden tegen, die verschillen in grootte,
voedselvoorkeur en voortplantingsgedrag.'
Het merkwaardige
is dat geen van die negen soorten ergens anders voorkomt. Bovendien
is het meertje vandaag de dag praktisch geïsoleerd van de
buitenwereld. Er stroomt alleen maar water uit, en wel via een
hoge waterval. Dus waar komen die soorten vandaan? Schliewen:
'Zezijn daar ter plekke ontstaan uit één voorouder,
die er waarschijnlijk via een kreekje terecht is gekomen. We hebben
gekeken naar het DNA van de vissen, en ze blijken allemaal heel
nauw verwant te zijn. Toch zijn het afzonderlijke soorten. Niet
alleen zien ze er verschillend uit en hebben ze verschillende
niches, er vindt ook nooit bastaardering onderling plaats.' Opnieuw
bleek er geen geologische krachtpatserij nodig te zijn; geen natuurverschijnselen
die populaties ruw uiteendreven. De cichliden van Bermin zijn
gewoon stilletjes in hun meertje in negen soorten gesplitst. 'Sympatrische
soortvorming', zegt Schliewen.'Zweiffellos!'
In een ander
poeltje, Barombi-Mbo geheten, was hetzelfde aan de hand: ook hier
een clubje heel verschillende soorten die allemaal kort geleden
uit een enkele voorouder moeten zijn ontstaan. Schliewen en Tautz
publiceerden hun resultaten vier jaar geleden in Nature als nieuw
bewijs voor sympatrische soortvorming. Tautz: 'Dat viel niet mee.
De experts die ons artikel moesten beoordelen waren heel sceptisch:
ze dachten dat er in het meer misschien toch geografische barrières
waren waardoor de vooroudersoort allopatrisch opgesplitst zou
zijn.'
Soortenpomp
In de Biergarten van het tegenover het instituut gelegen Rhaetenhaus,
een voormalig vakbondshol, legt Schliewen uit dat dat onmogelijk
is: 'Mensen vergeten gauw hoe ontzettend klein deze meertjes zijn:
het zijn ronde, kegelvormige putjes water met een kleibodem.'
Inmiddels heeft Schliewen een derde kratermeer aan het rijtje
toegevoegd: Ejagham. Weer hetzelfde beeld, maar dit keer met een
extra attractie: de geologische ouderdom van Ejagham is goed bekend.
'Vijfduizend jaar', zegt Schliewen met licht trillende stem. Het
is soortvorming op topsnelheid.
Niet alleen
in kleine meertjes lijkt sympatrische soortvorming voor te komen.
Ook de cichliden in het reusachtige Victoriameer zijn er niet
vies van. En dat is opmerkelijk, want ooit golden juist die als
een klassiek voorbeeld van allopatrische soortvorming, zegt Ole
Seehausen, een bioloog aan het Leidse Instituut voor Evolutionaire
en Ecologische Wetenschappen. 'In de jaren vijftig ontdekte de
Britse vissendeskundige Humphry Greenwood dat een klein satellietmeertje
langs de oever van het Victoriameer een vijftal cichliden herbergde
die niet in het meer zelf voorkwamen, maar nauwe verwanten ervan
wel. Omdat dat satellietmeertje in het verleden met het Victoriameer
verbonden was geweest, leek het er dus op dat die vijf daar door
allopatrische soortvorming ontstaan waren. Greenwood dacht dat
hetzelfde scenario opging voor alle vijfhonderd soorten die het
meer tot voor kort bevolkten.'
Seehausen
denkt daar inmiddels anders over. Vorig jaar publiceerden hij
en zijn collega's in Science de resultaten van hun eigen onderzoek
aan rotsbewonende Victoria-cichliden, de zogenoemde mbipi. Seehausen
ontdekte dat de mannetjes van nauwverwante mbipi vaak opvallend
verschillend van kleur zijn: vaak is de ene soort blauw, de andere
rood of geel. Hetzelfde kleurenpalet komt ook vaak binnen een
soort voor. Bovendien bleek dat de zichtbaarheid van de kleur
afhankelijk is van de diepte: in diep water is rood beter zichtbaar,
in ondiep water blauw.
De kleur
van de mannetjes blijkt van groot belang bij de partnerkeuze.
Bij een borrelend aquarium met verschillend gekleurde mbipi-vissen
in de laboratoriumtoren van het instituut legt Seehausen uit hoe
dat zit. 'Als je wijfjesvissen laat kiezen tussen de rode mannetjes
van hun eigen soort en de blauwe mannetjes van een andere soort,
dan kiezen ze altijd de rode mannetjes. Doe je dezelfde proef
bij monochromatisch licht, dan zien ze de kleur niet goed en zijn
ze niet langer in staat de juiste keuze te maken.' Eenzelfde kleurvoorkeur
blijkt ook te bestaan tussen wijfjes binnen een soort: sommige
kiezen alleen rode mannetjes, andere alleen blauwe mannetjes.
Het systeem
van mannetjeskleur en wijfjesvoorkeur werkt misschien als een
'sympatrische soortvormingspomp', mijmert Seehausen.'De populatie
kan erdoor in tweeën splitsen: de nakomelingen van wijfjes
die vallen op rode mannetjes, erven zowel de genen voor de rode
kleur als de voorkeur ervoor. De volgende stap is dat de rode
populatie zich meer de diepte in begeeft, waar rood beter zichtbaar
is, en de blauwe
populatie zich juist meer aan de oppervlakte gaat ophouden. Daardoor
ontstaat de mogelijkheid dat de twee populaties zich ook gaan
aanpassen aan verschillende voedselbronnen, en dan is het proces
compleet: ze kunnen nu als twee soorten naast elkaar blijven voortbestaan.'
Onvermijdelijk
proces
Nog een voorbeeld van hoe één soort zich geruisloos
in tweeën kan splitsen. Heeft het klassieke leerstuk van
de allopatrische soortvorming dan helemaal afgedaan? Absoluut
niet!' briest Futuyma. 'De bewijzen dat allopatrische soortvorming
voorkomt liggen voor het oprapen! Het is een wetmatig, onvermijdelijk
proces en ik denk dat het heel veel voorkomt. Maar tegelijkertijd
geloof ik ook dat sympatrische soortvorming veel vaker plaatsvindt
dan we tien jaar geleden bereid waren toe te geven.'
Maar hoe
vaak? Ernst Mayr schatte vorig jaar in Science de bijdrage van
sympatrische soortvorming aan de biodiversiteit op 'minder dan
een procent'. Maar Bush is diep overtuigd van de kracht van het
proces dat hij ontdekte. 'Het komt heel veel voor. Er zijn nu
al gevallen bekend bij talloze vissen, parasitaire wespen, en
het zou me niet verbazen als sommige zoogdieren en vogels ook
mee doen. Maar het meest overweldigend is sympatrische soortvorming
bij plantenetende insecten; ik ken al tientallen gevallen die
min of meer overtuigend zijn.'
Nieuw onderzoek
lijkt steeds vaker die rol van voedselplanten bij insectendiversiteit
te onderstrepen. Zo werd twee maanden geleden in Science aangetoond
dat de explosieve evolutie van de kevers exact hand in hand is
gegaan met die van de bloeiende planten. Je vraagt je dus af wat
Haldane gezegd zou hebben als een priester hem vandaag dezelfde
vraag had voorgelegd. Misschien wel dat de Schepper geen gletsjers,
bergen of oceanen nodig had om onvoorstelbare aantallen van Zijn
favoriete diertjes te doen ontstaan.
|