|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Nieuwe
soorten uit een laboratoriumflesje
Dezer dagen
zwermen de fruitvliegjes weer rond de groenbak: troetelkindjes
van de genetica, maar ook geliefd studie-object voor evolutiebiologen.
De laatste tijd wordt Drosophila steeds vaker ingezet bij het
ophelderen van een van de grootste raadsels van de evolutie: het
ontstaan van nieuwe soorten.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant, 6 juni 1995.)
Copulaties
bekijken bij 53.348 fruitvliegjes is niet ieders idee van spannend
wetenschappelijk onderzoek. Toch is dit wat Andrés Moya,
Agusti Galiana en Francisco Ayala tien jaar lang deden. Het kostte
hun drie onderzoeksbeurzen, maar leverde wel een publikatie op
in het aprilnummer van de Proceedings of the National Academy
of Sciences USA.
De onderzoekers,
van de Universiteiten van Valencia en van Californië, zetten
hun monster-experiment op touw om een theorie over het ontstaan
van nieuwe soorten nader te onderzoeken. Want, hoewel Darwins
On The Origin of Species al dateert van het midden van de vorige
eeuw, weten we nog maar bitter weinig over juist dat onderwerp,
het ontstaan van soorten.
Natuurlijk
is bekend dat het uiterlijk van dieren en planten in de loop der
tijd verandert door aanpassing. Daardoor ziet een paard van nu
er niet meer zo uit als een paard van miljoenen jaren geleden.
Maar het splitsen van soorten, het ontstaan van twee nieuwe soorten
uit één voorouder, is een probleem van een heel
andere orde.
Seksuele
isolatie, daar draait het om. Want verschillende soorten kruisen
niet met elkaar. Het opwerpen van zulke kruisingsbarrières
is een even cruciale als mysterieuze stap bij soortvorming. Biologen
hebben er in de loop der jaren talloze theorieën over bedacht,
maar twee daarvan, founder-effect en reinforcement geheten, waren
de laatste tijd erg in het nieuws.
En dat niet
alleen in positieve zin. 'Er zijn geen overtuigende aanwijzingen
voor het bestaan van reinforcement', aldus een specialist een
paar jaar geleden in een boek over soortvorming. Over founder-effect
schreef een ander in hetzelfde boek: 'Sterke theoretische argumenten
maken het onwaarschijnlijk dat deze manier van soortvorming in
de natuur effectief is.'
Theorieën
te over dus, maar feiten nauwelijks. Geen wonder, want soortvorming
is een traag verlopend proces, dat in de natuur maar zelden geobserveerd
kan worden.
De drie Spaans/Amerikaanse onderzoekers besloten daar wat aan
te doen. Met fruitvliegjes probeerden ze soortvorming in het laboratorium
na te bootsen. Ze waren vooral geïnteresseerd in founder-effect.
Deze theorie werd in de jaren veertig bedacht door de evolutiebioloog
Ernst Mayr, en kende sindsdien een grote populariteit.
De theorie
gaat als volgt. Stel, een eiland of een andere afgelegen plek
wordt ontdekt door een zeer klein aantal kolonisten. Dit kunnen
fruitvliegjes zijn, maar het verhaal gaat evengoed op voor vogels,
slakken of andere organismen. Deze founders planten zich snel
voort, en al spoedig is de habitat gevuld met hun nakomelingen.
Interessant
wordt het, wanneer de genetische opbouw van de founders niet representatief
geweest blijkt te zijn voor de soort als geheel. Als bepaalde
erfelijke eigenschappen toevallig oververtegenwoordigd zijn of
juist ontbreken, zullen hun nakomelingen op deze kenmerken flink
afwijken van de populatie waaruit de founders stammen.
Volgens theoretische
modellen kan een dergelijke situatie leiden tot een 'genetische
revolutie'. De genen in de nieuwe populatie moeten zich reorganiseren
om weer een harmonieus geheel te vormen. Ook genen die de partnerkeuze
bepalen, kunnen zo veranderen. Dieren uit de nieuwe populatie
verliezen dan de mogelijkheid om te paren met die uit de voorouderpopulatie,
en soortvorming is een feit. Dat is de theorie.
En de praktijk?
Met één of enkele paartjes fruitvliegen als kolonisten
begonnen de onderzoekers 59 laboratoriumpopulaties, elk verdeeld
over tien kweekflesjes. Op gezette tijden--ongeveer een keer per
jaar--werden de experimentele populaties met elkaar en met de
voorouderpopulatie gekruist.
Wanneer de
vliegjes een voorkeur bleken te hebben om te paren met dieren
uit hun eigen populatie in plaats van met dieren uit een andere
populatie, dan werd dit aangemerkt als seksuele isolatie, een
mogelijk begin van soortvorming.
Een aantal
malen vonden de onderzoekers zulke seksuele isolatie. Toch zijn
ze er niet van overtuigd, daadwerkelijk beginnende soortvorming
te hebben waargenomen. 'Als je duizenden experimenten doet', zo
schrijven de auteurs, 'vind je altijd wel een paar significante
resultaten, die dus gewoon door het toeval verklaard kunnen worden.'
Uiteindelijk overleefden vier observaties de statistiek. Hierbij
was dus echt sprake van seksuele isolatie.
Een mager
resultaat voor zo'n grootschalig experiment. Maar betekent dit
nu dat het founder effect toch een klein beetje werkt? Moya, Galiana
en Ayala denken van niet. 'De weinige gevallen van seksuele isolatie
bleken niet stabiel: een paar generaties later was het effect
alweer verdwenen.' Ze concluderen dan ook dat er vooralsnog geen
experimentele ondersteuning is voor de founder-effect-theorie.
Amper twee
maanden later, in het tijdschrift Nature van 22 juni, verscheen
nog een fruitvliegjes-studie over soortvorming. Mohamed Noor,
van de Universiteit van Chicago, bestudeerde Drosophila pseudoobscura
en Drosophila persimilis. Deze laatste draagt weliswaar een eigen
naam, maar eigenlijk is het geen aparte soort: kruisingen tussen
pseudoobscura en persimilis leveren gewoon nakomelingen op, zij
het dat de zonen die geboren worden, steriel zijn.
Noor voerde
een serie kruisingsproeven uit met vliegen van beide vormen, afkomstig
van verschillende plaatsen in de Verenigde Staten. Langs de Amerikaanse
westkust komen beide variëteiten samen voor. Hij ontdekte
dat de seksuele isolatie tussen beide vormen sterk was wanneer
hij dieren uit dit gebied met elkaar probeerde te kruisen. Daarentegen
waren pseudoobscura-wijfjes uit andere delen van het land, waar
persimilis niet voorkomt, veel minder goed in staat de avances
van deze laatste te weerstaan.
Dit resultaat
vormt het eerste bewijs voor reinforcement (versterking). Wanneer
een paring tussen twee variëteiten voor beide partners nadelig
is (bijvoorbeeld doordat hun zonen steriel zijn), zullen dieren
die paringen met de verkeerde variëteit kunnen vermijden,
in het voordeel zijn. Doordat zulke kieskeurige dieren geen last
meer hebben van onvruchtbare zonen, worden hun genen sneller verspreid.
Het gevolg is dat isolatie tussen de twee zich steeds verder verstevigt,
totdat uiteindelijk twee aparte soorten ontstaan.
Noors studie
sluit hier prachtig bij aan. Versteviging van seksuele isolatie
is opgetreden op plaatsen waar dat kon. Namelijk daar waar beide
vormen samenleven. Daarentegen hebben de pseudoobscura-vliegen
die nooit een persimilis tegenkomen in hun seksuele voorkeur een
soort evolutionaire argeloosheid behouden.
Toch betekenen
deze succesjes niet dat soortvorming nu een open boek is. Biologen
beseffen terdege dat de miljoenen plante- en diersoorten op aarde
nooit allemaal op dezelfde manier ontstaan kunnen zijn. Maar,
zoals Moya, Galiana en Ayala schrijven: 'Waar het om gaat in de
evolutiebiologie is niet of een bepaald proces voorkomt, maar
hoe vaak.' En naar het zich nu laat aanzien, is het founder-effect
minder algemeen dan werd gedacht, terwijl reinforcement misschien
wel een stuk vaker voorkomt.
|