|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Op jacht
naar oer-DNA in museumstukken
In barnsteen
en botten worden soms miljoenen jaren oude DNA-fragmenten gevonden.
Althans dat wordt beweerd. Maar kan DNA wel zo lang overleven,
vragen critici zich af. In Engeland wordt de proef op de som genomen.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant.)
Ergens in
het Oligoceen (zo'n dertig miljoen jaar geleden) landde een bijtje
op een Algarroba-boom. De bij en haar soortgenoten bezochten deze
bomen vanwege de overvloedige hars die uit de schors stroomde,
en die de diertjes gebruikten voor liet bouwen van hun nesten.
Van tijd tot tijd raakte een bij in de hars verstrikt en kwam
om. Hetzelfde lot wachtte ook dit bijtje.
Het raakte
ingesloten in een druppel kleverige hars, die van de boom afdroop
en op de grond terechtkwam. Hier begon de hars uit te harden,
terwijl de druppel langzaam werd bedekt door gevallen blad en
aarde. Later spoelden regens de bodem los en de bij in haar druppeltje
hars werd via rivieren meegevoerd naar de zeebodem, waar ze miljoenen
jaren sedimentatie over zich heen kreeg.
Inmiddels
verhard tot barnsteen, werd de hars uit zee opgeheven tijdens
de vorming van de bergen van de Dominicaanse Republiek, waar de
druppel uiteindelijk door een hamerslag van de Amerikaanse entomoloog
George Poinar weer aan het daglicht werd blootgesteld.
Poinar en
zijn vrouw Roberta, beiden werkzaam aan de Universiteit van Californië
in Berkeley, waren wat je zou kunnen noemen barnsteen-freaks.
Hun hele leven al reisden ze de wereld af op zoek naar barnsteen
met insekten.
Ze waren
in 1982 de eersten die aantoonden dat in die insekten nog intact
weefsel aanwezig is. Door die resultaten aangemoedigd, probeerden
ze in het midden van de jaren tachtig een paar keer om DNA te
isoleren uit barnsteen, maar zonder succes, en teleurgesteld lieten
ze de zaak voor wat hij was.
Tot in 1991
hun zoon Hendrik (toen bezig met zijn afstudeeronderzoek in de
moleculaire biologie) zijn ouders vroeg of hij het mocht proberen.
Zijn ouders stemden toe en Hendrik vertrok met vijf stukjes Dominicaans
barnsteen met bijtjes.
En toen ging
het opeens heel snel. Meteen het eerste stuk dat Hendrik en zijn
begeleider Raul Cano onder handen namen, bleek DNA te bevatten.
Binnen een paar maanden lukte het hun een deel van de genetische
code te achterhalen.
Omdat de
mogelijkheid bestond dat het DNA een vervuiling van recente oorsprong
was, vergeleken ze de code met die van verwante hedendaagse bijensoorten,
en tot hun stomme verbazing bleek het DNA daar sterk op te lijken:
ze hadden dus daadwerkelijk het oudste DNA ter wereld in handen.
Op 1 september
1992 maakten ze hun resultaten bekend. En dat bleef niet onopgemerkt,
vooral niet omdat amper drie weken later andere onderzoekers meldden
hoe ook zij DNA hadden geëxtraheerd uit Dominicaans barnsteen.
En alsof
dat nog niet overtuigend genoeg was, deden Cano en vader en zoon
Poinar het jaar daarop hun huzarenstukje nog eens over met DNA
van zowel de Algarroba-boom (die verantwoordelijk was voor het
Dominicaanse barnsteen) als van een 125 miljoen jaar oude snuitkever
uit Libanees barnsteen. Beide studies werden gepubliceerd in Nature
in de zomer van 1993.
De wetenschappelijke
wereld was een jaar lang in de ban van ancient DNA, of aDNA, zoals
het ook wel wordt aangeduid. De ontdekking van het 125 miljoen
jaar oude erfelijk materiaal van de snuitkever was zelfs voorpaginanieuws
in de hele wereld. Voor een deel kwam dit natuurlijk door het
spectaculaire karakter van de vondst, en het uitkomen, een dag
later, van de film Jurassic Park (waarin dinosauriërs worden
gekloneerd uit barnsteen-DNA).
Maar behalve
de filmindustrie had ook de wetenschap baat bij het onderzoek.
Het gebruik van DNA voor het achterhalen van de evolutie was namelijk
altijd belemmerd door het ontbreken van het genetische equivalent
van fossielen. Met behulp van DNA is het vaak veel beter mogelijk
de verwantschap tussen soorten te bepalen dan aan de hand van
hun uiterlijk. aDNA zou het nu mogelijk maken om in deze analyses
ook uitgestorven organismen te betrekken.
En ook de
evolutie van DNA kon nu onderzocht gaan worden: door het DNA van
bijvoorbeeld een uitgestorven snuitkever te vergelijken met dat
van zijn hedendaagse afstammelingen, kan bepaald worden hoe en
met welke snelheid genen veranderen.
Maar de euforie
werd al snel getemperd door kritische geluiden. Complexe biomoleculen
die zo lang de tand des tijds hadden weten te doorstaan? Het was
eigenlijk te mooi om waar te zijn. Dat vond vooral biochemicus
Tomas Lindahl van het Britse Imperial Cancer Research Fund, die
aan iedereen die het horen wilde, voorrekende dat het eenvoudigweg
niet kon: zelfs onder de gunstigste omstandigheden zou een DNA-molecuul
na zo'n tienduizend jaar volledig zijn gedegradeerd door chemische
processen.
In een polemiek
tussen Lindahl en Poinar laat Lindahl er geen twijfel over bestaan:
het zogenaamde fossiele DNA is gewoon vervuiling van buitenaf,
opgepikt door de gevoelige techniek die de onderzoekers gebruikten.
Met deze polymerasekettingreactie (PCR) kunnen spoortjes DNA miljoenen
malen worden vermenigvuldigd.
In sommige
gevallen kan zelfs verontreiniging door lichaamscellen van onderzoekers
roet in het eten gooien. Deze week werd bijvoorbeeld bekend dat
analyses van DNA dat vorig jaar werd geïsoleerd uit 80 miljoen
jaar oude dinosauriërbotten, uitwijzen dat het waarschijnlijk
menselijk DNA is. Dat zou op de resten terecht zijn gekomen tijdens
de opgraving in een steenkoolmijn in Utah.
'Het hoeft
nauwelijks verbazing te wekken', zo zegt Lindahl in Nature, 'dat
insekten-DNA met PCR kan worden aangetoond in een entomologisch
laboratorium'. Een nogal onbesuisde uitspraak, want, zoals pa
Poinar corrigeert, geen van de experimenten werd uitgevoerd in
een entomologisch laboratorium.
Poinar gaat
echter niet in op Lindahls voorstel om hun resultaten door anderen
te laten reproduceren, en evenmin reageert hij op Lindahls idee
om ook barnsteen-insekten van minder hoge ouderdom te onderzoeken.
Dat is nu precies waar een vijfkoppig team van het Londense Natural
History Museum zich mee bezighoudt. Op kosten van de Britse Natural
Environment Research Council zijn ze begonnen met een reeks nauwkeurig
opgezette controle-experimenten om de controverse op te lossen.
'Ons museum
bezit een grote collectie barnsteeninsekten, variërend van
veertig miljoen jaar oude Baltische exemplaren tot stukken hars
van een paar honderd jaar oud. We hebben een team samengesteld
van moleculair biologen en paleontologen dat op een systematische
manier het overleven van DNA in barnsteen gaat onderzoeken', aldus
Richard Thomas, één van de initiatiefnemers, in
een bericht op Internet vorig jaar.
Jeremy Austin
is degene die in het museumteam het meeste werk voor zijn rekening
neemt. Om vervuiling met ander museum-DNA te voorkomen, is een
compleet nieuw lab aangelegd. Alle apparatuur en chemicaliën
zijn nieuw aangeschaft en de ruimte wordt voortdurend ontsmet
met bleekwater en UV-straling (beide bijzonder effectief in het
afbreken van DNA). Austins eerste doel is het herhalen van de
DNA-extractie uit Dominicaanse bijtjes.
'Voor ik
een stuk onder handen neem, gaat het eerst naar Andrew Ross, een
promovendus in ons team die alle barnsteen-insekten determineert
en documenteert. Vervolgens ga ik aan het werk op ons steriele
lab. Allereerst steriliseer ik de buitenkant met bleekwater. Daarna
dompel ik het barnsteen in vloeibare stikstof van min 180 graden
Celsius. Als ik er dan wat heet water op druppel, barst het in
stukjes, waarbij het ingesloten insekt bloot komt te liggen.'
Ook Austin
maakt gebruik van de PCR-techniek. Het heeft nog geen positieve
resultaten bereikt bij de weinige museumstukken die hij tot nu
toe heeft mogen openbreken. Maar, zo zegt hij, het kan best zijn
dat hij naar te grote stukken DNA op zoek is. Als er DNA in zijn
barnsteen aanwezig is, dan is dat waarschijnlijk kapot gebroken
tot korte fragmentjes, en zal hij zijn proeven moeten veranderen
om die te kunnen opsporen.
Mocht het
het Londense team lukken om de claims van miljoenen jaren oud
DNA te bevestigen, hoe zit het dan met de kritiek van Lindahl
die beweerde dat DNA gewoon niet zo onverwoestbaar is? Volgens
Austin gaat Lindahl voorbij aan de speciale eigenschappen van
barnsteen. Chemische afbraak van DNA is namelijk onder te verdelen
in twee processen: oxydatie en hydrolyse.
Voor het
eerste is zuurstof nodig en voor het tweede water. Allebei componenten
die in barnsteen ontbreken; het insekt wordt luchtdicht ingepakt
in de hars, die bovendien sterk hygroscopisch is: het zuigt het
vocht als het ware uit het diertje. Wat volgens Austin het geval
kan zijn, is dat, naarmate de tijd verstrijkt, er steeds minder
barnsteen nog goed DNA bevat. Om DNA te isoleren uit extreem oude
stukken, zou het wel eens nodig kunnen zijn een hele serie te
vergruizen.
En dat brengt
ons direct op een ander probleem: hoe zit het met de schade aan
de collectie? Hoe ver kunnen de onderzoekers gaan met het verpulveren
van unieke museumstukken op jacht naar spoortjes DNA?
'Een gevoelige
vraag', antwoordt Austin. Maar gelukkig zijn hier duidelijke afspraken
over gemaakt. 'Er is een groot deel van de collectie waar we nooit
aan zullen komen. We concentreren ons op materiaal waar veel exemplaren
van beschikbaar zijn. Rouwmugjes bijvoorbeeld, maar ook de Dominicaanse
bijtjes zijn zo algemeen in barnsteen, dat we er daar wel wat
van kunnen opofferen.'
|