|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Wordt
het nog wat met gentherapie?
Gentherapie
maakte vijf jaar geleden een vliegende start. De verwachtingen
waren hooggespannen. Inmiddels is het enthousiasme danig getemperd.
Er is nog geen patiënt genezen. Was het dan alleen maar hype?
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 23 februari 1996; en Intermediair
België, 2 april 1996.)
'Het is bijna
een soort vakantie', zucht Sean Conroy, 'als je weet dat gentherapie
er gaat komen en je zelf niet meer hoeft te vechten.' Sean is
taaislijmziekte-patiënt. Hij doet zijn uitspraak in de documentaire
The Gene Race, die de BBC op 3 februari uitzond. Aan het slot
van de documentaire zien we hoe hij, twee jaar nadat de eerste
opnames werden gemaakt, ten grave wordt gedragen. De wetenschappelijke
ontwikkelingen bleken zich niet zo snel te voltrekken als de 21-jarige
Sean had gehoopt.
De tak van
geneeskunde die gentherapie heet, werd geboren op 14 september
1990. Op die dag werd in de National Institutes of Health (NIH)
van de Verenigde Staten een 4-jarig meisje behandeld met genetisch
gemanipuleerde witte bloedcellen. Ashanti DeSilva leed aan ADA-deficiëntie,
een zeldzame erfelijke ziekte, veroorzaakt door een kapot gen.
Dit gen produceert normaal gesproken ADA, een essentieel enzym
voor het immuunsysteem. De ADA-deficiëntie maakt de patiënt
extreem vatbaar voor infecties.
Kort gezegd
kwam de gentherapie die Ashanti ontving op het volgende neer:
artsen namen haar wat bloed af, stopten een gezond ADA-gen in
de witte bloedcellen en spoten de behandelde bloedcellen weer
bij haar in. De bedoeling was dat de bloedcellen die het gezonde
gen hadden opgenomen, zouden gaan werken als een normaal functionerend
immuunapparaat. De proef was de eerste toepassing van een techniek
die, zo hoopte men, een remedie zou worden tegen bepaalde erfelijke
ziekten en wellicht ook tegen AIDS en kanker.
Op de schommel
'Het experiment ging goed', schrijft een van die gentherapie-pioniers,
W. French Anderson, vijf jaar na dato in Scientific American.
'Ze is nu, van een klein meisje in quarantaine, dat altijd ziek
was en alleen buiten de deur kwam om naar de dokter te gaan, veranderd
in een gezond, sprankelend kind van negen, dat houdt van het leven
en alles kan doen.' En inderdaad, de foto's in het artikel (Ashanti
op de schommel, Ashanti in het park) spreken boekdelen. Metingen
drie jaar na de behandeling toonden aan dat zo'n vijftig procent
van Ashanti's witte bloedcellen inmiddels het gezonde gen dragen.
Maar het succes met Ashanti is niet representatief voor alle proeven
op patiënten. Kort nadat Ashanti haar eerste injectie ontving,
werd dezelfde behandeling gestart met een tweede ADA-patiëntje.
Bij haar ging het allemaal wat minder vlot: na drie jaar was nog
niet één procent van haar witte bloedcellen genezen.
En ook bij andere proeven sindsdien blijven de resultaten mager.
Het is zelfs
van Ashanti niet zeker of ze echt is genezen. Dat komt doordat
alle ADA-patiënten die gentherapie hebben ondergaan, tegelijkertijd
ook worden behandeld met een enzympreparaat, PEG-ADA geheten.
PEG-ADA doet het werk dat het ADA-enzym eigenlijk had moeten doen.
'Het is een therapie die parallel met de gentherapie is ontwikkeld',
vertelt Dinko Valerio, hoogleraar gentherapie aan de Leidse universiteit.
'En het enzympreparaat blijkt erg goed te werken, dus gentherapie
wordt altijd toegepast in de achtergrond van die behandeling.
Het wordt niet ethisch geacht om die patiënten de PEG-ADA
te onthouden.' Gevolg is wel dat het onduidelijk blijft waaraan
Ashanti haar gezondheid te danken heeft: aan gentherapie of aan
PEG-ADA.
Toch is het
geval-Ashand een eigen leven gaan leiden als gentherapie-success
story. Eind vorig jaar verscheen ze voor de wetenschapscommissie
van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Volgens het tijdschrift
Science verklaarde de commissievoorzitter na afloop dat ze 'het
levend bewijs was dat er zich een wonder had voltrokken'. Een
houding die kenmerkend lijkt voor het enthousiasme waarmee gentherapie
in de Verenigde Staten is ontvangen.
Windhandel
'The birth of a Megamarket', zo beloofde het blad Fortune in mei
van het vorig jaar. Gentherapie-onderzoek kost veel geld, maar
kan uiteindelijk ook veel geld opleveren. 'Het is uiteindelijk
een medicijn', zegt Valerio, 'dus is het logisch dat biofarmaceutische
bedrijven zich ermee gaan bemoeien.' Volgens Valerio, die zelf
mede-oprichter en algemeen directeur is van het bedrijf IntroGene
in Rijswijk, is dat ook noodzakelijk, omdat universiteiten de
benodigde investeringen niet kunnen opbrengen.
'Bedrijven
kunnen met venture-capital investeringen doen die uiteindelijk
leiden tot het uitvinden van geneesmiddelen en het openen van
hele grote markten. De ontwikkeling van zo'n medicijn brengt waardevermeerdering
met zich mee die in de eerste jaren niet naar buiten komt als
winststroom, maar die wel te zien is aan de koers van de aandelen.'
En inderdaad schieten in Amerika de gentherapiebedrijfjes momenteel
als paddestoelen uit de grond, met namen als Ingenex, Targeted
Genetics en Somatix Therapy.
Joost Verhaagen,
een gentherapieonderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Hersenondenoek
in Amsterdam, is niet onder de indruk. 'Je ziet in Amerika veel
jonge onderzoekers met elkaar besluiten kleine bedrijfjes te beginnen.
En die bedrijfjes worden dan, nadat ze een paar jaar know-how
hebben opgebouwd, doorverkocht aan grotere bedrijven. Daar is
op zich niets tegen, maar bij het publiek kan wel de indruk ontstaan
van "Goh, als iets geld opbrengt, dan moet het echt wel wat
zijn".'
Windhandel
dus? Verhaagen: 'In de Herald Tribune stond laatst een stuk met
de kop Gene Therapy Oversold. Daarin werd uitgelegd dat er een
hele hype is rond gentherapie. Het is nog niet zo dat er behandelingen
op de markt komen die het resultaat zijn van gentherapie-onderzoek.
Je zou het zelfs nog sterker kunnen zeggen: moleculair-biologisch
onderzoek betaalt zich nog niet af in de vorm van geneesmiddelen.
Maar dat is niet iets dat je de moleculair biologen kunt verwijten.
Er is een breed scala van fundamenteel onderzoek nodig voor de
ontwikkeling van gentherapie.'
Toch vonden
de National Institutes of Health vorig jaar dat het tijd werd
iets te ondernemen. Jaarlijks subsidieert, dit Amerikaanse overheidsorgaan
gentherapie-onderzoek met een slordige tweehonderd miljoen dollar.
Zo'n driekwart daarvan wordt besteed aan klinische proeven (proeven
op echte patiënten), vaak nog vóór alle technische
problemen met een bepaalde toepassing zijn opgelost. Reden voor
NIH-directeur Harold Varmus om een panel van veertien wetenschappelijke
zwaargewichten bijeen te roepen, om het veld eens secuur door
te lichten.
Valse hoop
Afgelopen december kwam de commissie met haar rapport naar buiten.
En de kritiek was niet mis. Gentherapeuten en hun sponsors wekken
de indruk dat 'gentherapie verder ontwikkeld en succesvoller is
dan eigenlijk het geval is'. Onderzoekers laten zich verleiden
door commerciële belangen en kiezen voor snelle, slecht doordachte
klinische proeven in de hoop vlug resultaten te behalen, terwijl
het fundamentele wetenschappelijke onderzoek wordt verwaarloosd.
Bovendien, zo waarschuwde de commissie, kunnen patiënten
hierdoor valse hoop krijgen, doordat de indruk wordt gewekt dat
een behandeling binnen handbereik zou liggen.
Volgens Valerio
waren die conclusies open deuren. `Het zijn ook typisch Amerikaanse
problemen. Zoals je vaker ziet zijn we hier in Europa wat meer
down-to-earth. We kijken wat rustiger tegen de problematiek aan
en we hebben ook een wat langere adem met het doen van onderzoek.
In Europa wordt gentherapie op dit moment in vijf landen, waaronder
Nederland, in de kliniek toegepast. En ik vind dat de manier waarop
dat hier gebeurt, veel meer recht doet aan wat het eigenlijk moet
zijn, namelijk: een verlengstuk van het laboratoriumonderzoek.
En wat die valse hoop betreft: ik durf te beweren dat dat een
situatie is die we in Europa niet hebben gehad. Hier zijn zowel
de patiëntenverenigingen als de wetenschappers altijd heel
goed op de hoogte geweest van de beperkingen.'
Aan deze
kant van de oceaan zijn er ook beslist niet zulke grote bedragen
mee gemoeid. Verhaagen schat het overheidsaandeel in ons land
op 'tussen de twee en drie miljoen' en zelfs dat zou een overschatting
kunnen zijn, want volgens E.C. Klasen van de Nederlandse Organisatie
voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), die een groot deel van
het overheidsbudget voor wetenschap verdeelt, besteedt NWO jaarlijks
'hooguit een miljoen' aan gentherapie-onderzoek. Hoewel hij toegeeft
dat 'het soms moeilijk is te zeggen waar gentherapie begint en
waar het ophoudt'.
Ook de collectebusfondsen,
die in ons land de financiering van een deel van het medisch onderzoek
voor hun rekening nemen, hebben nog weinig kaas gegeten van gentherapie.
Verhaagen vermoedt dat zij daar nauwelijks geld aan uitgeven.
'Ik heb een subsidieaanvraag ingediend bij het Prinses Beatrixfonds,
maar die vonden het te ver van hun bed'. K.W. van de Poll, algemeen
directeur van het Koningin Wilhelminafonds, laat eveneens weten
op dit moment geen gentherapie-onderzoek te subsidiëren.
'Voorlopig stellen we ons zeer terughoudend op, hoewel ik me kan
voorstellen dat we in de toekomst bepaalde projecten zullen gaan
steunen.'
DNA-koeriers
Waarom verlopen de ontwikkelingen bij gentherapie zo moeizaam?
Het principe is toch eenvoudig: je stopt extra DNA in de cellen
van een patiënt en dat DNA helpt vervolgens bij de genezing.
In het geval van een erfelijke ziekte corrigeer je de functie
van een kapot gen, in het geval van kanker of AIDS maak je bepaalde
cellen kwetsbaarder zodat ze met medicijnen of door het immuunsysteem
van de patiënt gemakkelijker op te ruimen zijn. Het grootste
probleem zit hem in de allereerste stap: hoe smokkel je therapeutisch
DNA een lichaamscel binnen?
Sinds het
prille begin van het vakgebied zijn onderzoekers ervan overtuigd
geweest dat virussen de aangewezen DNA-koeriers waren. Virussen
doen immers niets anders dan DNA cellen transporteren: hun eigen
DNA namelijk. Een virus plant zich voort door een cel binnen te
dringen en deze cel vervolgens te dwingen haar DNA ontelbare malen
te kopiëren. Als gentherapeuten dus een gen in het virale
DNA inbrengen, zal het met het virus de cel binnenkomen en daar
zijn taak kunnen uitvoeren. Virussen zijn ideale vectoren, om
in het jargon te blijven.
Maar virussen
zijn natuurlijk geen goedaardige organismen. Ze planten zich voort
ten koste van hun gastheer. Om te voorkomen dat gentherapie uitloopt
op een virusinfectie, worden de vectoren 'genetisch gecastreerd':
de genen die verantwoordelijk zijn voor de voortplanting van het
virus, worden verwijderd.
Hoge doses
De eerste gentherapeuten gebruikten retrovirussen. Dit type virus
heeft als voordeel dat het vector-DNA wordt opgenomen door het
DNA van de cel en dus permanent aanwezig blijft. Nadeel is dat
retrovirussen zich alleen graag nestelen in actief delende cellen,
zoals tumorcellen. Wil je organen bereiken die niet bestaan uit
delend weefsel, dan is dit type vector ongeschikt. Een type dat
wèl in alle soorten cellen terechtkomt, is het adenovirus.
Probleem hiermee is dat het niet binnendringt in de chromosomen
van de cel, en dus maar tijdelijk aanwezig is.
Gentherapie
met een adenovirus als vector moet dan ook regelmatig herhaald
worden. Bovendien moet het in hoge doses worden toegediend om
effectief te zijn. En bij zulke hoge doses ontstaat vaak een immuunrespons:
het immuunsysteem van het lichaam reageert, er ontstaat een ontsteking
en de vectoren worden uitgeschakeld. Bijna alle klinische proeven
met de behandeling van taaislijmziekte moesten worden stopgezet
nadat de patiënten acuut reageerden op het adenovirus. Latere
herhaling van zo'n behandeling heeft ook geen zin, want het immuunsysteem
'onthoudt' welk virus er was binnengedrongen en zal bij een volgende
injectie onmiddellijk een afweerreactie op touw zetten.
Een dergelijke
immuunreactie vormt een van de grootste problemen waar gentherapie
zich momenteel voor geplaatst ziet. De meningen zijn verdeeld
over de vraag of dit obstakel ooit uit de weg geruimd zal kunnen
worden. Valerio denkt van wel: 'Daar kun je een heleboel aan doen.
Wij zijn heel actief bezig om adenovirussytemen te maken die die
problematiek verminderen.' Verhaagen is minder zeker van zijn
zaak. 'We hebben op dit moment nog geen kant en klaar antwoord
op de afweer. Er zijn wel ideeën over, maar het zal allemaal
door trial-and-error ontdekt moeten worden.'
Sommige onderzoekers
wachten dat niet af en zoeken hun heil in niet-virale vectoren,
zoals liposomen. Deze microscopisch kleine vetbolletjes - bekend
uit de reclames voor huidcrèmes - kunnen versmelten met
de buitenkant van een cel. DNA in het liposoom wordt zo ook de
cel binnengelaten. In theorie zijn liposomen ideale vectoren:
breed inzetbaar en zonder immuunreactie. Maar echt goed werken
doen ze nog niet. 'De efficiëntie is vele orden van grootte
lager dan bij het virussysteem', denkt Valerio.
Omdat alle
lijnen van onderzoek op problemen stuiten, ontstaat onder onderzoekers
een felle discussie over welke weg bewandeld moet gaan worden.
Verhaagen: 'Op een gegeven moment zeggen wetenschappers van: Oh,
dat is iemand die niet in virussen gelooft!' Valerio denkt dat
die polarisatie niet zal doorzetten. Hij ziet onderzoekslijnen
naar elkaar toegroeien. 'Mensen zijn nu bezig om viruselementen
vast te knopen aan nietvirale vectoren, om zo de efficiëntie
te verhogen.' Een visie die Verhaagen voorlopig omschrijft als
'futuristisch'.
|