|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Vechtster
tegen de gelegaliseerde onwetendheid
Als onbezoldigd
onderzoeker van amper dertig bracht
ze met haar 'symbiogenese-theorie' een revolutie in de
biologie teweeg. Nu, een kwart eeuw later, ligt de
Amerikaanse Lynn Margulis nog steeds overhoop met
het establishment in haar vakgebied. Gesprek met een
eigenwijze biologe.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 22 december 1995.)
Professor
Lynn Margulis is met haar 57 jaar nog altijd een flamboyante verschijning.
De Amerikaanse biologe was een van de smaakmakers tijdens het
Beijerinck Centennial, een internationaal bacteriologisch congres
dat onlangs in het Haagse Congresgebouw werd gehouden. Klein van
stuk, in een paars-fluwelen jurk, probeerde ze, staand op het
randje van het podium, haar publiek te overtuigen van haar onconventionele
ideeën.
Een vechtster
is de Amerikaanse Margulis (klemtoon op Mar) altijd geweest. In
de jaren zestig, terwijl ze in haar privéleven kampte met
een scheiding en de opvoeding van twee kinderen, wist ze in haar
vrije tijd (een universitaire baan had ze toen nog niet) een studie
te voltooien waarmee in één klap haar naam gevestigd
was. Haar boek The Origin of Eukaryotic Cells, dat in 1970 verscheen,
bracht een revolutie in de biologie teweeg.
Zelf benadrukt
ze keer op keer dat haar zogenoemde 'symbiogenese-theorie' teruggaat
tot het begin van de eeuw. Toen opperde de Russische bioloog Mereschowski
dat mitochondriën (kleine 'energiefabriekjes' in de cellen
van planten en dieren) wel eens oorspronkelijk bacteriën
geweest zouden kunnen zijn. Die zouden in een ver verleden de
cellen zijn binnengedrongen, in de loop van de evolutie hun zelfstandigheid
zijn kwijtgeraakt en uiteindelijk helemaal zijn opgenomen in het
celsysteem.
Indertijd
werd het een aardig idee gevonden. Mereschowski bracht zijn theorie
zelfs als Einer neuen Lehre der Entstehung der Organismen. Maar
dat ging sommige van zijn tijdgenoten toch wat ver. In 1925 schreef
de celbioloog E.B. Wilson nog voorzichtig dat 'zulke speculaties
misschien ooit op een dag in aanmerking komen voor serieuzere
beschouwing'.
Niet tevreden
Die dag kwam toen Margulis de symbiogenese-theorie weer helemaal
op de rails zette. In haar boek verzamelde ze een overweldigende
hoeveelheid gegevens die aantoonden dat niet alleen mitochondriën,
maar ook chloroplasten (de bladgroenkorrels van plantecellen)
ooit bacteriën zijn geweest. Ze hebben allebei hun eigen
DNA en zijn opgebouwd uit moleculen die ook bij bacteriën
te vinden zijn. Bovendien delen ze zich precies
zoals een bacterie dat zou doen.
Het duurde
niet lang of de biologische wereld ging overstag, zeker toen bekend
werd dat het DNA van mitochondriën en chloroplasten als twee
druppels water lijkt op dat van bacteriën 'in het wild'.
In 1981 deed
Margulis alles nog eens dunnetjes over in haar boek Symbiosis
in Cell Evolution en sinds die tijd krijgen biologiestudenten
wereldwijd de theorie met de paplepel ingegoten. Lynn Margulis,
inmiddels hoogleraar aan de Universiteit van Massachusetts, kan
dus tevreden zijn.
Maar dat
is ze niet. Het zijn de zweephaartjes die haar dwarszitten. Volgens
haar zijn deze voortbewegingsorgaantjes van eencellige organismen
(zoals de bekende pantoffel- en klokdiertjes) hun evolutie ook
ooit begonnen als vrijlevende bacteriën. Maar dat gaat de
meeste biologen nu te ver. Margulis: 'In de vroege jaren zestig
was iedereen sceptisch over een bacteriële oorsprong van
mitochondriën en chloroplasten. Wat zweephaartjes betreft
bevinden we ons nu in net zo'n positie. We hebben heel sterke
aanwijzingen dat het zo is. Maar nog niets definitiefs.'
Piepklein
DNA-bolletje
Tijdens haar lezing laat ze een stukje film zien van een eencellige
die zich omringt met een krans synchroon bewegende spirocheten,
een soort langwerpige bacteriën. De evolutie van zweephaartjes
zou begonnen kunnen zijn als zo'n los-vast-relatie, die later
hechter is geworden. Spirocheten blijken ook eiwitten te hebben
die lijken op de eiwitten in zweephaartjes. Bovendien heeft Margulis
aangetoond dat zich aan de basis van ieder zweephaartje een piepklein
bolletje DNA bevindt: restanten spirocheet-DNA?
'Hierover
hebben we net een artikel naar het tijdschrift Science gestuurd.
Maar het zal wel worden afgewezen. Science negeert me altijd,
behalve als ze willen roddelen. In ieder geval denk ik dat het
niet lang meer zal duren of zweephaartjes worden ook geaccepteerd
als ex-bacteriën. Er is nu alleen nog niet voldoende bewijs.
Zelfs iemand als de beroemde John Maynard Smith wil er nog niet
aan. Hij is een briljant evolutiebioloog, maar heeft gewoon niet
genoeg verstand van bacteriën en biochemie.'
'Ik was laatst
op een congres. John Maynard Smith was er, en ook een man genaamd
Paul Nardon, een bioloog uit Lyon. Nardon werkt aan de evolutie
van bepaalde snuitkevers, die bacteriën in hun buik hebben.
Die bacteriën helpen de kever bij het verteren van zijn voedsel
en voorzien hem van vitaminen en andere belangrijke voedingsstoffen.
Nardon hield een lang Frans verhaal over hoe hij bij sommige van
zijn snuitkevers de bacteriën had verwijderd.'
'Aan het
eind van het verhaal werd Maynard Smith wakker en zuchtte: "Paul,
al dat bacteriegedoe is wel leuk en aardig, maar waar wij in geïnteresseerd
zijn is echt belangrijke evolutie: het ontstaan van het vermogen
om te vliegen, bijvoorbeeld. Vertel mij eens: wat is nou werkelijk
het verschil tussen een snuitkever mèt en een snuitkever
zonder bacteriën?" Waarop Nardon hem droogjes antwoordde:
"Wizzout ze bacteria zey cannot fly".'
Pure Darwinisten
Maar Margulis heeft nog meer op haar hart. Ze pakt een papieren
servetje en tekent een paar vertakkende lijnen. 'Kijk', zegt ze,
'de stamboom van de evolutie wordt nog altijd zo getekend: een
patroon van splitsingen. Maar we weten inmiddels dat het niet
alleen maar splitsing is geweest. Sommige takken versmelten ook
met elkaar. De voorouders van de mitochondriën zijn versmolten
met een vroege eencellige, en hetzelfde is zelfs een paar keer
gebeurd met de chloroplasten. Zweepstaartjes en misschien nog
wel talloze andere stukjes van de cel zijn op een soortgelijke
manier ontstaan.'
Geen stamboom,
maar een vlechtuerk, dus. Maar dat wisten we toch al ;inds Margulis
boek uit 1970? 'Ja', zegt Margulis, 'maar evolutiebiologen vertikken
het om hun manier van denken aan te passen! In ieder geval de
Engelssprekende. Dat zijn namelijk allemaal pure Darwinisten.
En zij leven bij de regel dat er geen "verworven eigenschappen"
bestaan. Alle eigenschappen van een plant of dier ontstaan door
natuurlijke selectie, en verworven eigenschappen, zoals de giraffe
die zijn nek uitrekte om bij de hoogste blaadjes te komen en die
eigenschap vervolgens doorgaf aan zijn kinderen, dat is negentiende-eeuwse
Franse onzin. Dat is fout. En toch heb je al die bacteriën
die maar cellen binnenkruipen. Voortdurend verworven eigenschappen
dus, zonder dat het geïntegreerd is in de manier waarop evolutiebiologen
denken.'
Sponzen
Margulis hoopt daar iets aan te kunnen veranderen. Begin volgend
jaar verschijnt een artikel van haar in de Proceedings of the
National Academy of Sciences of the USA, waarin ze alle dwarsverbanden
in de stamboom van de evolutie eens op een rij zet.
Ook geeft
ze in dat stuk betere definities van de vijf 'rijken': dieren,
planten, schimmels, eencelligen en bacteriën. 'Want iedereen
denkt dat hij weet wat een dier is: een meercellig organisme dat
zich beweegt en geen bladgroen heeft. Maar dat is onzin. Sponzen
bewegen zich niet en Convoluta praecox is een platworm mèt
bladgroen. Er zijn wel criteria, maar die zijn een stuk technischer:
dieren gaan tijdens hun ontwikkeling bijvoorbeeld altijd door
een zogenoemd 'blastula'-stadium. Niemand had dat ooit eens duidelijk
op papier gezet.'
Ondanks haar
enthousiasme vreest Margulis dat de traditionele manier van denken
niet snel zal veranderen. 'Het is de cultuur. We verdelen de natuur
nu eenmaal in mensen, dieren, planten en (helemaal achteraan)
germs, micro-organismen.' Ook de wetenschap is doordrenkt van
deze simplistische visie. Volgens Margulis wordt de evolutiebiologie
helemaal beheerst door onderzoek aan 'belangrijke' organismen,
meestal grote dieren. 'Dus het maakt niet uit wat de bacterioloog
ontdekt, het wordt toch genegeerd. Want het zijn maar microben.
We hebben een cultureel probleem van onwetendheid. Van systematische,
gelegaliseerde onwetendheid!'
Flora van
de mond
En bacteriologen zelf? Die zouden toch als geen ander moeten weten
welke belangrijke rol bacteriën in de evolutie hebben gespeeld
en nog spelen. Margulis is somber gestemd: 'Ik hoorde vanochtend
nog een bacterioloog die het had over de "flora van de mond"!'
Er klinkt walging in haar stem: 'Flora! Zo'n man beseft niet eens
dat hij het zegt. Terwijl hij donders goed weet dat het bacteriën
zijn en geen planten. Zolang serieuze wetenschappers zich nog
zo laten beïnvloeden door de erfenis van onze cultuur, maak
ik me geen illusies.'
Maar Lynn
Margulis staat praktisch alleen in deze kruistocht. Zelfs haar
directe collega's delen haar bezorgdheid niet. 'Waarom? Ik denk
dat het te maken heeft met onze grote Amerikaanse filosofie: If
it ain't broke, don't fix it!'
|