|
© Copyright
Menno Schilthuizen
God als
stoplap
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant.)
Darwin en
zijn vrouw hadden er al huiselijke ruzies over en nog steeds wil
het niet boteren tussen religie en evolutie. Vorig jaar nog woedde
de evolutie-in-het-eindexamen-affaire, waarbij het buitenland
stomverbaasd toekeek hoe de gemoederen in het tolerante Nederland
hoog opliepen.
Opvallend
in die discussie was dat verschillende onderzoekers zich onverwachts
in het creationistische kamp bleken op te houden, zoals de Wageningse
plantenfysioloog Bruinsma, die het in NRC Handelsblad opnam tegen
moleculair bioloog Piet Borst.
Biologen
die het niet zo hebben op evolutie, zijn er meer. Dat blijkt uit
het boek Darwin's Black Box van de Amerikaanse biochemicus Michael
Behe. Voor de goede orde: Behe is geen creationist, zo meldt de
flaptekst, want in tegenstelling tot creationisten twijfelt hij
niet aan de hoge ouderdom van de aarde en evenmin aan de afstamming
van alle soorten uit een gemeenschappelijke voorouder.
Waar het
Behe om gaat, is het ontstaan van de allerkleinste biologische
machientjes, die hij als biochemicus door en door kent. Een voorbeeld:
het stollen van bloed in een wond is een onvoorstelbaar ingewikkeld
proces. Behe weet er alles van, het is zijn eigen veld van onderzoek.
Hij presenteert een schema met meer dan 30 eiwitten en 46 pijltjes,
dat hij vervolgens vergelijkt met een Rube Goldbergmachine.
De Amerikaanse
striptekenaar Rube Goldberg is bekend geworden met zijn absurde
cartoons van nodeloos gecompliceerde machientjes met futiele functies.
Zijn muggenbeetkrabber bijvoorbeeld (Behe beschrijft hem niet
zonder gevoel voor humor), bestaat uit een aaneenschakeling van
veertjes, wipjes, hefboompjes, katrolletjes, nog meer veertjes
en muizen op lopende bandjes, allemaal bedoeld om een pennetje
in beweging te brengen dat een muggenbult op de nek van een kaal
mannetje krabt.
Bloedstolling,
bacteriestaartjes, intracellulair transport, het immuunapparaat
en andere biochemische systemen zijn volgens Behe net als Rube
Goldberg-machines: uiterst ingewikkeld en als je er één
schakel tussenuit haalt, werken ze niet meer. Hoe kan zo'n uitgebalanceerd
systeem door evolutie ontstaan zijn, vraagt hij zich herhaaldelijk
af. Voor hem is er maar één conclusie mogelijk:
Intelligent Design. God dus.
Het is merkwaardig
dat Behe niet inziet, hij ontkent het zelfs, dat zijn redenatie
identiek is aan de bekende oog-paradox. Het oog, met al zijn samenwerkende
onderdelen, zou nooit door geleidelijke evolutie ontstaan kunnen
zijn. Want het hebben van één van de componenten,
de lens bijvoorbeeld, levert alleen voordeel op wanneer de onderdelen
waarmee de lens samenwerkt (netvlies, iris, spieren) al op hun
plek zijn. Ergo: het oog moet in één keer geschapen
zijn, in al zijn glorie.
Evolutiebiologen
zoals Richard Dawkins hameren al jaren op de fout in deze gevolgtrekking.
Als je andersom redeneert, is er namelijk geen vuiltje aan de
lucht: een lichtgevoelig vlekje is beter dan geen lichtgevoelig
plekje. Een dergelijk plekje kan weer beter hol zijn dan plat,
omdat dan de richting van het licht valt na te gaan. En met een
lens ervoor werkt het nóg iets beter.
Iedere stapsgewijze
verbetering is evolutionair heel aannemelijk. Waarom zou iets
dergelijks niet ook gelden voor de biochemische Rube Goldberg-machines?
Nu is er
uitgerekend voor bloedstolling drie jaar geleden een evolutionair
scenario opgesteld door een andere Amerikaanse biochemicus, Russell
Doolittle. Behe citeert Doolittle voluit, om hem vervolgens met
de grond gelijk te maken. Doolittle is niet exact, vindt Behe,
hij gebruikt vage termen als 'eerst ontstond dit-en-dat eiwit'
of 'gen zus-en-zo werd gedupliceerd', hij geeft geen kansberekeningen,
kortom, Behe vindt het maar nattevingerwerk.
En hij heeft
natuurlijk helemaal gelijk. Doolittles theorie is weinig meer
dan duimzuigerij. Maar dat komt gewoon doordat onze kennis ontoereikend
is. Biochemie fossiliseert niet. En ook het vergelijken van hetzelfde
systeem bij allerlei verschillende dieren, wat vaak een idee geeft
over de loop van de evolutie, is moeizaam en ingewikkeld onderzoek.
Behe heeft
in ieder geval geen zin om te wachten. Voor hem is het zo klaar
als een klontje: ogen mogen dan geëvolueerd zijn; in ieder
ingewikkeld biochemisch netwerk ziet hij de hand van God. Tegen
het eind van zijn boek ontwikkelt hij zelfs een complete Science
of Intelligent Design. 'Veel vragen moeten nog beantwoord worden',
roept hij uit, 'veel werk moet nog worden verzet!'
'Werk?',
vraag je je als lezer verbaasd af. Als je overal God bijsleept
om als Deus ex Machina lacunes in je kennis op te vullen, welke
vragen vallen dan nog te beantwoorden? Behe's manier om schepping
en evolutie te combineren, is een voorbeeld van wat Sjoerd Bonting
God in the Gap noemt; creatie gebruiken als stoplap waar kennis
tekort schiet.
Bonting,
emeritus-hoogleraar biochemie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen,
én Anglicaans priester, verenigt op een andere manier schepping
en evolutie. In zijn boek Schepping & Evolutie betreurt hij
het dat veel mensen hun geloof verliezen omdat ze niet in staat
zijn een wetenschappelijk en een theologisch wereldbeeld met elkaar
te rijmen. Bonting doet een moedige poging die kloof te dichten.
En passant
breekt hij nog even een lans: voor het Anglicaanse geloof, dat,
zegt hij, altijd zwaar heeft geleund op het menselijk verstand.
In ieder geval meer dan het rooms-katholicisme, wat Bonting illustreert
met een prachtige passage uit de recente Vaticaanse catechismus.
Na drie paragrafen
in kleine letters gewijd te hebben aan evolutie, besluit deze
met: 'Deze ontdekkingen nodigen ons uit de grootheid van de Schepper
des te meer te bewonderen, Hem dank te zeggen voor al zijn werken
en voor het inzicht en de wijsheid die Hij wetenschappers en onderzoekers
schenkt.'
Bonting lijkt
doordrongen te zijn van de juistheid van alle aspecten van de
evolutietheorie. Hij probeert er, in tegenstelling tot Behe, dan
ook niets op af te dingen. Maar hij zegt wel: 'Sturing van dit
gecompliceerde en onvoorspelbare proces door een doelbewuste en
"speelse" Schepper lijkt een redelijker aanname dan
die van een spel van blind "toeval".'
Bontings
Schepper is dus speels, maar komt op die manier ook wat zwakjes
over. Meer dan een beetje richting geven aan het proces van evolutie
(weliswaar met als doel het ontstaan van de mens) is hem niet
toegestaan. Maar Bonting weet een modern-vaderlijke draai aan
zijn God te geven, die 'zijn schepping toestaat alle mogelijkheden
uit te proberen binnen de door hem ingestelde natuurwetten. Het
is Gods liefde waarin hij zijn evoluerende schepping een belangrijke
mate van vrijheid schenkt.'
MICHAEL J.
BEHE: DARWIN'S BLACK BOX
THE FREE PRESS, IMPORT VAN DITMAR;
52,50
ISBN 0 684 82754 9
SJOERD L.
BONTING: SCHEPPING & EVOLUTIE
UITGEVERIJ KOK;
35
ISBN 90 242 7821 X
|