|
© Copyright
Menno Schilthuizen
In de
ban van het kleine
Twee weken
geleden bracht de beroemde sociobioloog Edward Wilson een bezoek
aan ons land. Wilson zet zich momenteel vooral in voor de overal
op aarde zo bedreigde biodiversiteit, maar zijn hart blijft uitgaan
naar zijn grote liefde: de mieren.
MENNO SCHILTHUIZEN
(oorspronkelijk
verschenen in Intermediair, 27 October 1995.)
Nog één
week zijn ze te zien op de tentoonstelling Topstukken Tentoon
in het Natuurmuseum Rotterdam: twee kistjes met nauwgezet geprepareerde
mieren, voorzien van nette etiketjes in een vooroorlogse hand.
Het zijn doosjes 4 en 19 uit de collectie van pater Erich Wassmann
uit Zuid-I-imburg. Deze van oorsprong Duitse Jezuïet was
rond de eeuwwisseling een van 's werelds grootste mierenkenners.
In 1901 benoemde de Nederlandse Entomologische (insektenkundige)
Vereniging hem daarom tot erelid.
Twee weken
geleden viel dezelfde eer te beurt aan een andere beroemde 'myrmecoloog',
professor Edward O. Wilson van de universiteit van Harvard. Hij
nam de onderscheiding in ontvangst tijdens de feestdag ter gelegenheid
van het 150-jarig bestaan van de N.E.V, en gaf daarna nog een
korte lezing over biodiversiteit. Na afloop was er welgeteld één
reactie uit de met driehonderd entomologen gevulde zaal. 'You're
much too polite', zei Wilson. En hij kon het weten. Die dag in
1978 dat hij, als geestelijke vader van de omstreden sociobiologie,
tijdens een voordracht een emmer water over zich heen kreeg, staat
hem nog scherp voor de geest.
Wilsons onwaarschijnlijke
loopbaan van toegewijde prikkebeen tot politiek mikpunt heeft
alles te maken met de meest opvallende eigenschap van mieren:
hun sociale structuur, bestaande uit streng gescheiden kasten
als koningin, werksters en soldaten. In 1971 publiceerde hij The
Insect Societies, een groot en invloedrijk werk over het sociale
gedrag van insekten, waarin de door hem zo geliefde mieren een
prominente plaats innamen. In 1975 trok hij deze lijn door in
Sociobiology: The New Synthesis. Hierin zette hij een samenvattende
theorie uiteen waarmee alle sociaal gedrag darwinistisch verklaard
werd. Het venijn zat in de staart.
In het laatste
hoofdstuk van Sociobiology paste Wilson zijn theorie ook op de
mens toe. En dat schoot menigeen, zeker in de jaren van de 'maakbare
samenleving', in het verkeerde keelgat. Het idee van een sterke
genetische basis voor menselijk sociaal gedrag was voor velen,
onder wie politiek geörienteerde biologen als Stephen Jay
Gould en Richard Lewontin, onverteerbaar. Wilson raakte verwikkeld
in een felle discussie, die uitliep op het pijnlijke waterincident.
Voor hem was daarmee de maat vol. Hij vertikte het verder nog
aan publieke discussies mee te doen.
Maar hij
bleef over sociobiologie publiceren. In 1978 verscheen On Human
Nature, in 1981 gevolgd door Genes, Mind and Culture. Sinds die
tijd is zijn aandacht meer en meer verschoven naar de biodiversiteitscrisis.
In zijn drie jaar geleden verschenen boek The Diversity of Life
waarschuwt hij dat we, nu we om ons heen jaarlijks zo'n dertigduizend
dier- en plantensoorten zien verdwijnen, aan de vooravond staan
van de zesde grote uitstervingsgolf in de geschiedenis van de
aarde.
Communiceren
met chemicaliën
Net als de sociobiologie zijn ook Wilsons inspanningen voor het
behoud van de biodiversiteit terug te voeren op zijn passie voor
mieren. Mieren vormen maar een klein deel van de totale biodiversiteit.
Er bestaan waarschijnlijk zo'n dertigduizend soorten, en dat is
maar een fractie van alle dier- en plantesoorten. Maar ze vormen
tezamen wèl een derde van de totale dierlijke 'biomassa'
op het land. Alle mieren op aarde wegen meer dan alle zoogdieren,
reptielen, vogels en amfibieën samen. Ze zijn de dominante
dieren in vrijwel alle ecosystemen. 'Als de mieren zouden verdwijnen',
zo zegt hij, 'dan zou het leven op aarde zwaar, zwaar in de problemen
komen.'
Toch waren
mieren niet Wilsons eerste liefde. 'Net als alle jongetjes van
negen had ik wat we in Amerika de bug period noemen. Alleen bij
mij is de bug period nooit meer overgegaan. Bovendien had ik op
mijn zevende mijn rechteroog verwond met een vissevin, waarna
het zo goed als blind was. Met mijn linkeroog daarentegen zie
ik heel scherp, veel scherper dan normaal is. Dat was een extra
reden voor mij om me met kleine beestjes bezig te gaan houden.'
Hij wilde
zich eigenlijk gaan toeleggen op vliegen. Maar een toevallige
samenloop van omstandigheden stuurde dat plan in de war. 'Voor
het prepareren van vliegen heb je insektespelden nodig. Dat zijn
lange, dunne, roestvrije spelden, die in mijn tijd alleen maar
gemaakt werden in Tsjechoslowakije. Kort na de oorlog was dat
land bezet door de sovjets en waren er in Amerika vrijwel geen
insektespelden te krijgen. Ik was dus wel gedwongen om insekten
te verzamelen die je op alcohol kunt bewaren. Zoals mieren.'
In 1953,
na een studie biologie aan de Universiteit van Alabama, kreeg
hij een promotieplaats te Harvard. Zijn onderzoek betrof de sociale
structuur van mieren, en zijn belangrijkste ontdekking was de
werking van hun communicatiesysteem. 'Mieren communiceren vrijwel
geheel door middel van chemicaliën. Een mierenkolonie werkt
met tussen de tien en twintig verschillende geursignalen, afkomstig
uit allerlei klieren die verspreid liggen over het mierelichaampje.
Een heel ander systeem dus dan dat wij mensen gebruiken in onze
samenleving.'
Met hun chemische
signalen kunnen mieren behoorlijk ingewikkelde boodschappen overbrengen.
In zijn boek The Ants geeft Wilson een voorbeeld van de vijf verschillende
signalen voor het recruteren van soldaten bij de Afrikaanse mier
Oecophylla longinoda. Afhankelijk van het type geurstof en de
begeleidende bewegingen kan het signaal betekenen: 'help mee voedsel
dragen', 'help mee nieuw terrein verkennen', 'help mee verhuizen',
'help het nest verdedigen tegen een nabije vijand' of 'help het
nest verdedigen tegen een vijand verder weg'.
Andere insekten
maken op hun beurt handig gebruik van het communicatiesysteem
om in een mierenkolonie binnen te dringen. Bepaalde kortschildkevers
bijvoorbeeld parasiteren op mierennesten door zich te goed te
doen aan het broed. Merkwaardig genoeg laten de mieren de kevers
ongestraft hun gang gaan. Sterker nog: de kevers worden door hen
gevoed en verzorgd. De mieren denken met nestgenoten te maken
te hebben. De kevers, zo ontdekte Wilsons collega Bert Hölldobler,
produceren geurstoffen die lijken op die van de mierelarfjes.
Bovendien kietelen ze werksters met hun sprieten en poten, op
dezelfde manier als een andere werkster dat zou doen (een verschijnsel
dat Wassmanniaanse mimicry wordt genoemd, naar de ontdekker, de
al genoemde pater Wassmann).
Jagende koningin
Mieren zijn geëvolueerd uit gevleugelde, solitair levende
wespen. Hoe hun uiterst ingewikkelde sociale systeem is ontstaan,
is nog onduidelijk. 'In de late jaren zestig had ik het geluk
de eerste twee exemplaren van mieren uit de Krijt-periode te vinden,
in barnsteen uit New Jersey, zo'n 80 miljoen jaar oud', vertelt
Wilson. Later zijn er meer fossielen van die ouderdom opgedoken.
Maar ze zijn heel zeldzaam. Veel zeldzamer dan je zou verwachten
als mieren toen al net algemeen waren als nu. Dus ik denk dat
ze zo'n 100 tot 120 miljoen geleden zijn ontstaan en pas vrij
recent de wereldheerschappij hebben veroverde.'
Die eerste mieren hadden wel al een volledig ontwikkeld sociaal
systeem. Onder de mieren die Wilson ontdekte in het 80 miljoen
jaar oude barnsteen bevonden zich zowel werksters als koninginnen.
Een fossiel nest dat de antropologe Mary Leakey in de jaren zestig
in Kenya opgroef en hem opstuurde, gaf een beeld van de bouw van
een mierenkolonie in het Oligoceen (zo'n 30 miljoen jaar geleden).
'Ik herkende wevermieren. Waarschijnlijk was indertijd een deel
van een kolonie uit een boom gevallen en door modder bedekt geraakt.
Er zaten larven en poppen bij en ook zo veel volwassen mieren,
dat ik een statistische analyse kon maken van het kastensysteem.
Het bleek sterk overeen te komen met dat van een wevermierenkolonie
van vandaag de dag.'
Fossielen
leveren dus geen informatie over hoe het sociale systeem van mieren
zich ontwikkelde. Maar Wilson heeft wel een idee hoe het gegaan
is. 'Tegenwoordig vind je in Australië nog primitieve mieresoorten.
Die gedragen zich nog erg wespachtig: de koningin verlaat het
nest van tijd tot tijd om op jacht te gaan. Dat gebeurde waarschijnlijk
ook in de vroege evolutie van de mieren. Het is niet moeilijk
om je een overgang voor te stellen van een koningin die haar nakomelingen
opvoedt in een nest, via een stadium waarbij een deel van de nakomelingen
in het nest achterblijft en helpt bij de opvoeding van hun broertjes
en zusjes, naar een mierenkolonie waarin de meeste van de nakomelingen
onvruchtbaar zijn.'
Heeft Wilson
tijdens zijn verblijf aan ons land nog gelegenheid gehad de collectie
van Wassmann te bezoeken (die zich, afgezien van de twee aan Rotterdam
uitgeleende doosjes, in het Natuurhistorisch Museum van Maastricht
bevindt)? 'Jammer genoeg niet', bekent hij. De vader van de sociobiologie
heeft geen tijd voor de geschiedenis van zijn vakgebied, hij is
helemaal in de ban van zijn nieuwste onderzoeksproject. Onderwerp:
mieren. 'Ik leg momenteel de laatste hand aan een monografie over
geslacht Pheidole, het grootste mierengeslacht ter wereld. Driehonderdvijftien
nieuwe soorten voor de wetenschap, plus nog eens 291 al eerder
bekende soorten, allemaal zelf geïllustreerd met vijfduizend
handgetekende figuren, dus je begrijpt...'
|