|
© Copyright
Menno Schilthuizen
De zijderups
gaat Herman achterna
Na de soja,
de maïs en de stier Herman zijn de insecten aan de beurt
om genetisch te worden veranderd. Zo ontstaan rupsen die betere
zijde maken of malariamuggen die geen malaria kunnen overbrengen.
MENNO SCHILTHUIZEN
(Oorspronkelijk
verschenen in de Volkskrant.)
'Ik ben het
kind van Brundle en een vlieg', klaagt een weinig appetijtelijk
uitziende Jeff Goldblum in de horror-film The Fly. En nu is het
insect in mij wakker. De droom is voorbij'. Het loopt niet goed
af met Goldblum, die als de gekke geleerde Brundle zijn eigen
chromosomen per ongeluk integreert met die van een huisvlieg.
Eigen schuld,
dikke buit. Had hij maar niet moeten knoeien met DNA, en helemaal
niet met dat van zulke engerds als insecten. Dat is vragen om
moeilijkheden. Zo zal de gemiddelde bioscoopbezoeker er in 1986
over hebben gedacht.
Anno 1997,
na een lange reeks transgene koeien, varkens, tomaten, aardappelen,
mais en soja, zijn we wat meer gewend geraakt aan de zegeningen
van de moderne biotechnologie. Maar aan genetisch geknutsel met
insecten moeten we voorlopig nog niet denken. Toch zit na Herman
de Stier ook Herman de Huisvlieg eraan te komen.
Bijna letterlijk,
want D. O'Brochta, een Amerikaanse expert op het gebied van genetische
manipulatie van insecten, werkt aan Musca domestica, de huisvlieg.
'We hebben onlangs een transposon geïsoleerd uit dit dier',
zegt O'Brochta trots. 'En het plan is om dat te gebruiken om andere
insecten genetisch te gaan manipuleren.'
Transposons
zijn zogenoemde jumping genes, stukjes DNA die kopieën van
zichzelf kunnen maken, stukjes die zich ergens anders in een chromosoom
kunnen inbouwen. Sinds begin jaren tachtig worden transposons
gebruikt voor genetische manipulatie van Drosophila, het fruitvliegje.
Gewoon door de te transplanteren eigenschappen in een transposon
te stoppen en dit DNA-stukje los te laten in een andere stam of
andere soort fruitvlieg.
O'Brochta,
hoogleraar aan de Universiteit van Maryland, zegt: 'Als insectenbiotechnologen
hebben we het enorme voordeel dat Drosophila het werkpaard is
van de biotechnologie. Veel technieken die zijn ontwikkeld voor
Drosophila, kunnen we met wat aanpassing ook gebruiken bij verwante
insecten, zoals malariamuggen.'
Genetisch
gemanipuleerde malariamuggen? Wie zit daar nu op te wachten? Maar
het idee is niet zo vreemd als het lijkt. O'Brochta geeft een
voorbeeld. 'Stel dat je een malariamug zou kunnen maken die niet
langer in staat is malaria over te brengen. En je zou ervoor kunnen
zorgen dat die mug de plaatselijk voorkomende malariamuggen wegconcurreert.
Dat zou toch mooi zijn?'
En dat is
precies waar een team van biologen aan universiteiten in de Verenigde
Staten, Duitsland en Groot-Brittannië mee bezig is. Een bepaalde
stam van een van de gemeenste soorten malariamuggen is resistent
tegen de malariaparasiet. De genen die hiervoor verantwoordelijk
zijn, worden opgespoord. De bedoeling is deze in een transposon
te stoppen dat zich dan al chromosoomspringend door de muggenpopulatie
kan verspreiden, zodat de parasiet steeds minder muggen vindt
om zich in te nestelen.
Onderzoekers
van de Yale Universiteit proberen iets dergelijks te doen met
de wants die in Zuid-Amerika de ziekte van Chagas verspreidt,
een aandoening die lijkt op de Afrikaanse slaapziekte. De onderzoekers
zijn erin geslaagd in een darmbacterie van de wants een gen in
te bouwen dat de wants resistent maakt tegen de parasiet die de
ziekte veroorzaakt. 'Een veldproef staat op stapel', meldt O'Brochta.
Over veldproeven
gesproken, het moet gezegd dat er, alle mooie plannen ten spijt,
tot nu toe nog nooit een genetisch gemanipuleerd insect in de
vrije natuur is losgelaten. Maar lang kan dat niet meer duren,
want bij mijten (geen insecten, maar verwanten van spinnen) is
het inmiddels wel gebeurd. Vorig jaar kreeg prof. dr. M. Hoy,
verbonden aan de Universiteit van Florida in Gainesville, van
de Amerikaanse autoriteiten toestemming een genetisch gemanipuleerde
roofmijt vrij te laten.
'Het was
nog maar een eerste stap', legt Hoy's medewerker A. Jeyaprakash
uit. 'Volgens de richtlijnen moeten we eerst kijken of de genetische
manipulatie geen ongewenste bij-effecten heeft. Dus we hebben
de mijten gemodificeerd met een onschuldig bacterieel gen. Ongewenste
bij-effecten bleken er niet te zijn.'
Desondanks
hebben de Amerikanen de plannen met transgene roofmijten opgeschort.
Het was namelijk de bedoeling de diertjes uit te rusten met een
gen dat ze resistent maakt tegen insecticiden. Dan zouden ze tegelijk
met bestrijdingsmiddelen kunnen worden ingezet tegen een verwante
groep soorten: die van de schadelijke spintmijten.
'Voorlopig
doen we dat toch maar niet', aldus Jeyaprakash. 'Het lijkt ons
nogal riskant, omdat de mogelijkheid bestaat dat de resistentie
overspringt op de spintmijt. En dan ben je van de regen in de
drup.'
Ook andere
nuttige insecten staan op het punt genetisch te worden veranderd.
We kennen natuurlijk twee gedomesticeerde insecten: de zijderups
en de honingbij,' zegt O'Brochta. 'Echte productiedieren, vergelijkbaar
met kippen en koeien. Vooral bij zijderupsen worden serieuze pogingen
ondernomen ze transgeen te maken.'
O'Brochta
doelt op het werk van onderzoekers aan de Universiteit van Lyon,
die een heel bijzondere techniek hebben ontwikkeld om zijderupsen
genetisch te manipuleren. Met behulp van een door helium aangedreven
gene gun bombarderen ze het weefsel van de zijderups met stukjes
DNA. Dit DNA wordt opgenomen door de cellen en in sommige gevallen
zelfs ingebouwd in de chromosomen.
Voorlopig
maken de Fransen nog gebruik van een 'oefen-gen', maar het is
de bedoeling zogenoemde fibroïne-genen te transplanteren.
Deze genen coderen voor het eiwit waaruit de rups haar zijde spint.
Een van de plannen is om genen voor kwaliteitszijde uit China
te transplanteren naar de rassen die in India worden gebruikt
en die een veel ruwer soort zijde maken.
Ander mogelijk
gesleutel aan zijderupsen betreft ziekteresistentie: de rupsen
lijden aan een hele reeks bacterie-, virus- en schimmelaandoeningen,
waar de productie soms schade van ondervindt. Een ander probleem
is de zogenoemde diapauze: de poppen leggen hun ontwikkeling soms
maandenlang stil, een overblijfsel uit de tijd dat de vlinder
nog in het wild voorkwam en zijn ontwikkeling moest synchroniseren
met gunstige weersomstandigheden. Een zijderups zonder diapauze
zou veel sneller te kweken zijn.
Hoewel genetische
manipulatie van insecten in de kinderschoenen staat, verwacht
O'Brochta dat ze binnenkort in een stroomversnelling zal raken.
'Er zijn zoveel mensen mee bezig, dat er waarschijnlijk spoedig
een universeel transformatiesysteem zal opduiken: een techniek
waarmee je allerlei soorten insecten genetisch kunt manipuleren.
Als het eenmaal zover is, dan zal het wel losbarsten, want er
zijn plannen genoeg.'
|