|
© Copyright
Menno Schilthuizen
Gepassioneerd
zoeker naar de waarheid
(Oorspronkelijk
gepubliceerd in Intermediair, 19 januari 1996)
Hij geldt
als een van de grootste biologen van deze eeuw en op zijn vijfenzeventigste
heeft hij nog niets van zijn scherpte verloren: de Britse evolutiebioloog
John Maynard Smith. 'Sinds mijn vijftiende besef ik dat ik slechts
het produkt van natuurlijke selectie ben. En ik ben daar gelukkig
mee.'
MENNO SCHILTHUIZEN
Een paar
jaar geleden, zo gaat het verhaal, werd in Oxford een debat georganiseerd
tussen een bekende aanhanger van het creationisme en een evolutiebioloog.
Pers en tv hadden interesse getoond en de creationist in kwestie
zag in gedachten zijn populariteit al tot grote hoogte stijgen
- totdat hij hoorde wie zijn opponent zou zijn: John Maynard Smith!
Diens reputatie als creationistenvreter kennende, zegde de arme
man direct het hele debat af.
Wie dit verhaal hoort, moet wel denken dat de nu 75-jarige Maynard
Smith een vinnige valsaard is. Maar niets is minder waar. De beroemde
hoogleraar aan de Universiteit van Sussex in Brighton is de zachtmoedigheid
zelve. Wat zijn creationistische opponenten echter afschrikt is
Maynard Smiths meest kenmerkende eigenschap: 'He cares passionately
about the truth', zoals een collega het uitdrukt. En het is die
waarheidsliefde, gecombineerd met een scherp theoretisch inzicht
en een hart voor natuurlijke historie, die hem volgens sommigen
een van de grootste biologen watt deze eeuw maken.
Maynard Smith
begon zijn carrière als vliegtuigingenieur, maar stapte
al spoedig over naar de dierkunde. Hij hield zich onder andere
bezig met genetica, gedragsbiologie en oecologie en heeft een
reeks invloedrijke boeken op zijn naam staan, variërend van
Mathematical Ideas in Biology tot The Evolution of Sex. In niveau
lopen ze uiteen van zwaar wetenschappelijk tot populair.
Schoolvoorbeelden
En nu is er dan The Major Transitions in Evolution, geschreven
met zijn jongere Hongaarse collega Eörs (spreek uit: Ursj)
Szathmáry. Volgens velen is het zijn magnum opus. Het boek
beschrijft de evolutie van nul tot nu in acht grote stappen. Maar
wie de klassieke mijlpalen in de evolutie verwacht--de Cambrische
explosie, de kwastvinnige vissen die het land opkruipen--komt
bedrogen uit.
'Je zult
in ons boek vergeefs zoeken naar de schoolvoorbeelden van evolutionaire
overgangen', zegt Maynard Smith. 'Die hebben we allemaal genegeerd.
Waar het in ons boek over gaat is informatie, en het ontstaan
van nieuwe manieren om informatie door te geven van generatie
op generatie.'
Geen microbe-tot-mens-verhaal
dus. Of toch? Op de voorplaat van het boek prijkt het menselijk
brein, zwevend boven een oersoep die, van onder naar boven, gevuld
is met moleculen, microben, wormen, kwallen en vissen. En dat
terwijl de Amerikaanse paleontoloog Stephen Jay Gould al jaren
fulmineert tegen die Ladder of Progress. Goulds favoriete metafoor
is die van de taperecorder: spoel de tape van de evolutie terug
en speel hem opnieuw af; goede kans dat je replay totaal anders
uitpakt. Dat je geen mensen krijgt, geen gewervelde dieren, misschien
zelfs geen meercellig leven. Volgens Gould is de evolutie contingent:
niets meer dan een aaneenschakeling van toevalligheden, zonder
richting of doel. Hoe denkt Maynard Smith daarover?
'Look, I
hate agreeing with Stephen Jay Gould about anything', begint hij.
'Maar de overgang van eenvoudige bacteriën naar eukaryoten,
cellen met een kern, chromosomen en mitochondriën, was een
unieke en dramatische gebeurtenis. Ik kan me voorstellen dat als
je de tape opnieuw afspeelt, het niet een tweede keer gebeurt,
en het leven niet verder komt dan microben. Aan de andere kant
denk ik dat zoiets als de overgang van eencellige naar meercellige
organismen wèl zou gebeuren als je de tape opnieuw afspeelt.
Waarom? Omdat die overgang al minstens drie keer onafhankelijk
heeft plaatsgevonden: bij dieren, planten en schimmels. Heb je
eenmaal eukaryotische cellen, dan is de evolutie van meercellige
organismen blijkbaar een onvermijdelijk gevolg.'
Maynard Smith
besluit zijn boek met het ontstaan van de mens. 'De informatie
die in de evolutie verpakt en doorgegeven werd, was lange tijd
vooral genetische informatie, gecodeerd in DNA of andere moleculen',
legt hij uit. 'Maar sinds de mens er is, is dat veranderd. De
menselijke taal en cultuur vormen een volledig nieuw systeem voor
informatieoverdracht. Een laatste revolutie in de evolutie.'
Primitieve
pizza
Aan die laatste major transition gingen er zeven vooraf. Het begon
allemaal met eenvoudige replicerende moleculen, de voorlopers
van DNA. Die ontstonden in de 'oersoep' (Maynard Smith en Szathmáry
spreken trouwens liever van een 'primitieve pizza'--de benodigde
chemische reacties voltrekken zich gemakkelijker op een plat vlak
dan in een soep). In eerste instantie konden deze kleine replicerende
moleculen maar heel weinig informatie doorgeven. Dat veranderde
toen verschillende replicators werden samengevoegd in compartimenten:
de eerste cellen.
Werden deze
eerste cellen bevolkt door verzamelingen losse 'genen', in latere
cellen waren de losse genen aan elkaar geregen tot chromosomen.
Maynard Smith en Szathmáry wijzen erop dat chromosomen
voor een delende cel eigenlijk onhandig logge apparaten zijn:
het duurt een eeuwigheid eer zo'n compleet ding gekopieerd ís.
Een cel met allemaal losse gennetjes zou zich veel sneller kunnen
delen en dus in het voordeel zijn. Waarom ontstonden er dan toch
chromosomen?
Vergelijkbare
paradoxen doen zich voor bij de andere grote overgangen: zelfstandige
microben fuseerden tot complexe cellen tijdens het ontstaan van
eukaryoten; vrij levende, eencellige eukaryoten sloten zich aaneen
tot meercellige organismen; en solitair levende, meercellige organismen
konden zich, na het ontstaan van samenlevingen, alleen nog voortplanten
binnen hun sociale context. De vraag is steeds: waarom die samenwerking?
Waarom rebelleren de genen niet tegen het keurslijf van het chromosoom?
Wanneer komen mitochondriën in opstand tegen hun tirannieke
celkern? Waarom beginnen lichaamscellen niet voor zichzelf?
Een simpel
antwoord hierop is, dat dat wèl gebeurt. Er bestaan jumping
genes, genen die zich wel degelijk hebben losgerukt en een zwervend
bestaan leiden van chromosoom naar chromosoom. En een voorbeeld
van rebellerende cellen is kanker. Toch zijn dit uitzonderingen
en is samenwerking de regel.
Dwarsliggers
straffen
Om dit soort problemen het hoofd te bieden, bedient Maynard Smith
zich van de speltheorie. Toegepast op de evolutie van chromosomen
klinkt een speltheoretische redenatie zo: 'Stel, je bent gen A.
Je zit in een cel samen met gen B. De cel is voor zijn voortbestaan
afhankelijk van jullie allebei. Ben je nu als A beter af in je
eentje of gekoppeld aan B? Gekoppeld moet je je beurt afwachten
bij de replicatie, en dat is een nadeel. Maar een veel groter
nadeel is het wanneer de celdeling misgaat: als de dochtercel
gen A of gen B mist en te gronde gaat. Per saldo is het dus voor
jou als A van voordeel om je te verzekeren van B aan je zij, en
de beste manier om dat te hereiken is: handjes vasthouden bij
de celdeling.'
Maynard Smith
haast zich te benadrukken dat genen natuurlijk geen wil hebben
en ook geen beslissingen kunnen maken. De speltheorie blijkt gewoon
een goed model om met 'menselijke' afwegingen datgene te omschrijven
wat eigenlijk gestuurd wordt door natuurlijke selectie.
De speltheorie,
aldus Maynard Smith, verklaart samenwerking tussen genen net zo
goed als samenwerking tussen individuen. Ook het ontstaan van
de menselijke samenleving kan ermee worden aangepakt. Uit het
door hem ontwikkelde Social Contract Game blijkt dat het in een
samenleving niet voldoende is dat iedereen met elkaar samenwerkt.
Want zodra iemand doorkrijgt dat je kunt profiteren van de samenleving
zonder eraan mee te werken, krijgt dit gedrag de overhand en stort
het systeem in. Er hoort dus een tweede afspraak bij: dwarsliggers
straffen.
Maar zelfs
dan kunnen free riders zich verspreiden, individuen die wel samenwerken
met de rest, maar het vertikken dwarsliggers te straffen. De enige
afspraak die een stabiel systeem oplevert is dus: 'samenwerken;
dwarsliggers straffen; free-riders beschouwen als dwarsliggers'.
Voor het
ontstaan van een dergelijk sociaal contract is een strafsysteem
nodig, of iets wat hetzelfde effect heeft. Maynard Smith: 'Ik
geloof niet dat sociaal gedrag werkelijk wordt bepaald door angst
voor straf. Het is eerder een kwestie van ritueel. Menselijke
samenlevingen zijn heel verschillend, maar worden allemaal bepaald
door rituelen. Blijkbaar hebben mensen daar genetische aanleg
voor. Die eigenschap zou in het verleden ontstaan kunnen zijn
doordat individuen die zich beter lieten ritualiseren, beter pasten
binnen de groep en daardoor meer nakomelingen kregen. Ik denk
dat ritualisatie de enige culturele eigenschap is die erfelijk
is.'
Taalorgaan
Een andere vorm van informatieoverdracht die Maynard Smith van
groot belang vindt, is de taal. Behalve ritualisatie heb je ook
taal nodig om te onderhandelen over het sociale contract. Maynard
Smith vindt dat biologen zich meer met taal zouden moeten bemoeien.
Niet alleen vanwege het belang ervan voor de evolutie van de menselijke
samenleving, maar ook omdat het 'een heel nieuw, complex systeem
van informatieoverdracht is. De jongste grote stap in de evolutie.'
Taalkundigen
hebben lange tijd gevochten over die typisch menselijke eigenschap
om een complexe taal te genereren en te begrijpen. Aan de ene
kant had je Noam Chomsky, die zei dat mensen een aangeboren gave
voor grammatica hebben. Aan de andere kant beweerden de behavioristen
onder leiding van B.F. Skinner dat taal niets bijzonders is en
dat we het leren net als onze andere vaardigheden: via trial and
error. Dat laatste gelooft Maynard Smith niet zo: 'Chomsky heeft
al aangetoond dat ouders de taal van hun kinderen maar heel weinig
corrigeren. Grammatica leren kinderen automatisch. Daar hebben
ze een aangeboren talent voor.'
De meeste
moderne taalkundigen accepteren in grote lijnen Chomsky's ideeën.
Des te vreemder is het dat een evolutionaire oorsprong van taal
door maar weinigen serieus wordt genomen. Want aangeboren impliceert
erfelijkheid en alles wat erfelijk is, kan evolueren. Ook Chomsky
zelf had er geen oren naar. Hij zei ooit dat, hoewel we een 'taalorgaan'
hebben, te speculeren over de oorsprong ervan zo zinloos zou zijn
als te speculeren over elk ander orgaan, zoals het hart. Maynard
Smith: 'je reinste waanzin. Natuurlijk moet je nadenken over de
oorsprong van ieder orgaan. En zeker over zoiets unieks als het
menselijk taalvermogen.'
Tussentaal
Linguïsten hebben altijd twee belangrijke argumenten aangedragen
tegen de evolutie van taal. Ten eerste het ontbreken aan genetische
variatie. Als natuurlijke selectie van belang zou zijn, zo gaat
de redenering, dan moet er wel iets te selecteren zijn. En taal
is altijd taal. Er zijn geen slechtere of betere varianten. Onjuist,
vindt Maynard Smith. 'Iedereen weet dat bepaalde mensen beter
zijn in taal dan anderen. Dat hoeft geen erfelijke variatie te
zijn, maar in enkele gevallen is het dat beslist wel.'
Als voorbeeld
noemt hij het onderzoek van de Canadese taalkundige Myrna Gopnik,
die een familie ontdekte waarvan bepaalde leden niet in staat
waren grammaticale regels te generaliseren. Als zij wisten dat
de verleden tijd van 'to walk' 'walked' is, konden ze daaruit
niet de verleden tijd van andere regelmatige werkwoorden afleiden;
ze moesten alle werkwoordsvormen afzonderlijk aanleren. Het aardige
is, dat deze aandoening bleek over te erven als een enkel dominant
gen--een van de eerste aanwijzingen voor een genetische basis
van taalvaardigheid.
Een ander
punt dat taalkundigen nog wel eens aanvoeren is dat ze zich geen
'tussentaal' kunnen voorstellen. Als eigenschap X van de grammatica
ontbreekt, zo stellen ze, kun je Y niet zeggen. En dus is geleidelijke
taalevolutie onmogelijk. Maynard Smith is inmiddels gehard tegen
zulke redeneringen. 'Creationisten zeggen dat ook altijd over
het oog; dat zou niet geleidelijk ontstaan kunnen zijn, omdat
je niets hebt aan een half oog. Het lijkt een waarheid als een
koe, maar het is natuurlijk onzin: een eenvoudig lichtgevoelig
orgaan is weliswaar niet zo goed als een echt oog, maar het is
beter dan niets. Hetzelfde geldt voor taal.'
Blind, saai
proces
Maynard Smith is erg enthousiast over wat hij 'evolutionaire linguïstiek'
noemt. 'Ik ben ervan overtuigd dat we in de toekomst een huwelijk
zullen meemaken tussen linguïstiek en genetica. Taal is een
heel nieuwe manier van informatie overbrengen. Heel anders dan
DNA, maar vergelijkbaar in het aantal boodschappen dat ermee over
brengen is. In dat opzicht verdient taal veel meer aandacht van
evolutiebiologen dan het nu krijgt.'
Het probleem
is natuurlijk dat mensen zich graag vastklampen aan de taal als
het laatste bewijs dat de mens boven de evolutie staat. Het is
voor hen niet te accepteren dat ook deze strohalm gewoon het resultaat
kan zijn van evolutie. Toch is Maynard Smith optimistisch, want,
zo zegt hij, de toenemende belangstelling voor evolutie geeft
aan dat mensen er ook iets waarde in kunnen zien.
'We willen
nu eenmaal graag weten waar we vandaan komen, omdat dat een soort
betekenis geeft aan ons bestaan. Evolutie vertelt ons waarom we
hier zijn. Maar de evolutietheorie zegt óók dat
wij zijn ontstaan in een blind, saai, hersenloos proces van replicatie
en selectie, dat door niemand daarboven wordt gestuurd. Veel mensen
willen dat niet geloven. Zij willen geloven dat ze zijn uitverkoren
door God, een speciale rol hebben gekregen, enzovoorts. Volledig
onjuist, volkomen onwaar, maar dat is wat veel mensen graag horen.'
'Ik hoop
dat ze dat geloof kunnen laten varen en evolutie leren accepteren,
er misschien zelfs iets moois in zien. Sinds mijn vijftiende heb
ik geleefd met het besef niet meer dan een produkt van natuurlijke
selectie te zijn. En ik ben daar gelukkig mee. Sterker nog, als
ik een grens zou moeten trekken tussen een tijd dat ik nogal ongelukkig
en onzeker was, en een veel gelukkiger periode, dan zou die grens
rond mijn vijftiende jaar liggen. De omslag kwam toen ik mijn
geloof in God verloor. Het is het beste wat een mens kan overkomen.'
|