© Copyright Menno Schilthuizen

Specerijen en specimens

MENNO SCHILTHUIZEN

(Oorspronkelijk verschenen in Bionieuws, 21 september 2002.)

Wat was de wereld honderdvijftig jaar geleden heerlijk eenvoudig. Toen Alfred Russel Wallace in 1854 voet aan wal zette in Sarawak, het noordwestelijke deel van Borneo, bracht hij eerst een beleefdheidsbezoekje aan de 'witte radja' James Brooke, liet vervolgens een huis bouwen aan de Simujan rivier, pakte zijn geweer en vlindernet en trok erop uit.

Tropische reizen mogen tegenwoordig dan gemakkelijker zijn dan in Wallace' tijd, de diplomatieke obstakels die een bioloog moet slechten voor het veldwerk kan beginnen zijn lastiger dan alleen even op theevisite gaan bij de Brookejes. Sinds het Verdrag van Rio in 1993 werd getekend, komen steeds meer tropische landen met wetgevingen voor biologisch onderzoek. Sarawak, nu een van de dertien federale staten in Maleisië, heeft sinds kort haar Biodiversity Ordinance, die er niet om liegt. Wie zich niet aan de regels houdt, krijgt, zoals een team Amerikaanse speleologen twee jaar geleden, een boete van 20,000 ringgit (6000 Euro) en wordt op het vliegtuig naar huis gezet.

Het blijft maar moeilijk wennen dat we als biologen niet langer naar believen onderzoeksmateriaal kunnen halen in de zuidelijke landen. Als ik kevers wil gaan vangen in de Oost, dan doe ik dat, denkt de entomoloog, gelijk de specerijenkoopman van weleer. Maar hier in de 'Oost' denkt men er anders over. Een collega liet me laatst woedend een artikel uit een Frans entomologisch tijdschrift zien waarin een aantal nieuwe soorten Cetonidae (gouden torren) werden beschreven, afkomstig uit de Crocker Range, een bergketen waar ons fraai gelegen instituut uitzicht op biedt. Alle materiaal was--kennelijk zonder toestemming--verzameld door Franse onderzoekers en alles was ook gedeponeerd in Franse collecties. 'Ik ga dat materiaal terugvragen!' riep ze verbolgen uit.

Als westerse taxonomen door willen gaan met het verzamelen en bestuderen van hun favoriete tropische biota's, dan moeten zij daar iets tegenover stellen. Ze kunnen bijvoorbeeld referentiecollecties doneren en helpen die collecties verder op te bouwen, door het geven van cursussen aan plaatselijke geestverwanten. Nu al zeggen zowel de Internationale Code voor Zoölogische Nomenclatuur als de officiële wetgeving in veel landen dat typemateriaal (de exemplaren waarop de beschrijving van een nieuwe soort is gebaseerd) in een collectie in het land van herkomst gedeponeerd moet worden. Taxonomen moeten zulke regels niet beschouwen als hinderlijke rompslomp, maar als stimulans voor het delen van kennis en expertise.

Die torren uit de Crocker Range zijn netjes beschreven in een respectabel Frans tijdschrift, dat wel. Maar hun lichaampjes staan opgebaard in een museum waar een Maleisische onderzoeker zelden zal komen. Hadden hun verzamelaars samengewerkt met een van de entomologen in mijn instituut en een serie doubletten gedeponeerd in onze collectie, dan hadden ze wellicht de kiem gelegd voor een vruchtbare kennisoverdracht. Waar het de taxonoom om gaat is liefde voor zijn of haar 'groep'. En wat is er beter dan dat die liefde eindelijk thuiskomt?


 

   
Copyright©2004 Schilthuizen.org